Strafrecht overig
Ontvankelijkheid. Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de HR door een raadsman een…
Parket bij de Hoge Raad, 23 december 2008
ECLI:NL:PHR:2008:BG3508 · Parket bij de Hoge Raad · 23 december 2008
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2008-bg3508
Zaakgegevens
Op 23 december 2008 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 december 2008
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 07/10411
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2008:BG3508
Samenvatting
Ontvankelijkheid. Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de HR door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437.2 Sv, zodat verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
Procesgang
Hoge Raad · 23 december 2008
ECLI:NL:HR:2008:BG3508Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 december 2008deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2008:BG3508
Conclusie
Nr. S 07/10411
Mr Jörg
Zitting 4 november 2008
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verzoeker bij arrest van 28 januari 2007 wegens - kort gezegd - opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, sub B, Opiumwet gegeven verbod en handelen in strijd met art. 26, eerste lid, Wet Wapens en Munitie, veroordeeld tot vijftien weken gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de teruggave aan verzoeker van de inbeslaggenomen geldbedragen gelast.(1)
2. Verzoeker heeft tijdig beroep in cassatie doen instellen. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens hem geen middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ingevolge art. 437, tweede lid, Sv dient op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na de betekening van de voorbedoelde aanzegging door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie te zijn ingediend. Nu bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend dient verzoeker niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep te worden verklaard.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak met griffienummer 07/10412 P waarin ik heden eveneens concludeer.