Strafrecht overig

Overschrijding redelijke termijn in cassatiefase. Het middel steunt op de opvatting dat voor de beoordeling…

Zaakgegevens

Op 23 december 2008 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23 december 2008
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
02721/06 P
ECLI
ECLI:NL:PHR:2008:BG3719
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Overschrijding redelijke termijn in cassatiefase. Het middel steunt op de opvatting dat voor de beoordeling van de in cassatie op zijn redelijkheid te beoordelen termijn zelfstandige betekenis toekomt aan het tijdsverloop tussen het instellen van het beroep en de betekening van de aanzegging a.b.i. art. 435 Sv. Die opvatting is onjuist zodat het middel faalt.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 23 december 2008

    ECLI:NL:HR:2008:BG3719
  2. Conclusie A-G · 23 december 2008deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2008:BG3719

Conclusie

Nr. 02721/06 P

Mr Jörg

Zitting 4 november 2008

Conclusie inzake:

[Verzoeker = betrokkene]

1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 20 juli 2006 het door verzoeker uit - kort gezegd - het inwerking hebben van een hennepplantage verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 37.834,86 en aan verzoeker ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

2. Namens verzoeker heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.

4. Het middel is terecht voorgesteld. Namens verzoeker is op 1 augustus 2006 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 13 september 2006, derhalve tijdig, bij de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is echter voor de eerste maal op 2 september 2008 door de Hoge Raad behandeld zodat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. De vraag rijst of dit enige consequenties dient te hebben. In de strafzaak tegen verzoeker in welke zaak ik eveneens vandaag concludeer (00209/07) heb ik reeds geconcludeerd tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dat betekent dat in de ontnemingszaak kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden (vgl. HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o.v. 3.6.3.).

5. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G