Strafrecht overig
Ontvankelijkheid. Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de HR door een raadsman een…
Parket bij de Hoge Raad, 12 mei 2009
ECLI:NL:PHR:2009:BG5578 · Parket bij de Hoge Raad · 12 mei 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2009-bg5578
Zaakgegevens
Op 12 mei 2009 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 mei 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 07/10554
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2009:BG5578
Samenvatting
Ontvankelijkheid. Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de HR door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437.2 Sv, zodat verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
Procesgang
Hoge Raad · 12 mei 2009
ECLI:NL:HR:2009:BG5578Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 mei 2009deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2009:BG5578
Conclusie
Nr. 07/10554
Mr. Bleichrodt
Zitting 25 november 2008
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 14 juni 2006 de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde onder 1. (onderdeel voorschrift 12.1 filter/geurwasser), 2. (onderdeel mestscheidingsinstallatie), 4. (onderdeel mestafscheider/separator) en 6. (onderdeel mestscheidingsinstallatie), voorts de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van het bewezenverklaarde onder 1. (onderdelen voorschrift 1.2.5, 1.2.6 en 1.2.8), 3. en 5. en de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde onder 1. (onderdeel voorschrift 10.2), 3. en 5. telkens opleverende "medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd", 2. (onderdeel mestzak), 4. (onderdeel mestzak) en 6. (onderdeel mestzak) telkens opleverende "medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" en 7., 8. en 9. telkens opleverende "medeplegen van opzettelijk de door een zegel waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd gezag verzegeld zijn bewerkte afsluiting anders dan door verbreking, opheffing of beschadiging verijdelen, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van € 5.000,-.
2. In deze zaak is tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld. Deze zaak hangt samen met de zaken 07/10566 ([medeverdachte 3]) en 07/10550 E ([medeverdachte 1]), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.
3. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv in de onderhavige zaak is op 18 september 2007 op de voet van art. 588, derde lid sub a, Sv aan de verdachte betekend.
4. Middelen van cassatie zijn namens de verdachte niet voorgesteld. In een brief van 16 november 2007 aan de Hoge Raad maakt mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, kenbaar dat verdachte failliet is gegaan en dat in de onderhavige zaak geen schriftuur zal worden ingediend.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden