Strafrecht overig
Verzoek nader onderzoek i.d.z.v. art. 330 Sv. Het voorschrift van art. 330 Sv veronderstelt – vzv. het een…
ECLI:NL:PHR:2009:BI8549 · Parket bij de Hoge Raad · 1 september 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2009-bi8549
Zaakgegevens
Op 1 september 2009 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 september 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/03300
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2009:BI8549
Samenvatting
Verzoek nader onderzoek i.d.z.v. art. 330 Sv. Het voorschrift van art. 330 Sv veronderstelt – vzv. het een verzoek betreft dat strekt tot het (doen) verrichten van nader onderzoek – dat de verzoeker welomschreven onderzoekshandelingen opgeeft, zoals het nog (doen) horen van met name genoemde getuigen (of getuige-deskundigen) of het inwinnen van een deskundigenbericht omtrent een welomschreven vraagstelling. Het i.c. gedane verzoek voldoet niet aan die maatstaf en kan dus niet gelden als een verzoek i.d.z.v. art. 330 Sv, zodat het Hof niet gehouden was op het verzoek een beslissing te geven. (zie ook LJN BH7295)
Procesgang
Hoge Raad · 1 september 2009
ECLI:NL:HR:2009:BI8549Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 september 2009deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2009:BI8549
Conclusie
Nr. 08/03300
Mr. Bleichrodt
Zitting 16 juni 2009
Aanvullende conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 11 februari 2008 de verdachte ter zake van 1. "poging tot doodslag" 3. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" en 4. "medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit" veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering.
2. Tijdens de voorbereiding van deze zaak heb ik ten gevolge van een administratieve vergissing onder de stukken niet aangetroffen een namens de verdachte door mr. A. Neermawatie Nandoe, advocaat te Wassenaar, tijdig ingediende tweede schriftuur houdende een middel van cassatie. In deze aanvullende conclusie bespreek ik daarom alsnog het in die schriftuur voorgestelde middel.
3.1 Het middel klaagt over een onvoldoende met redenen omklede bewezenverklaring ten aanzien van de feiten 3 en 4, nu de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen en 's Hofs nadere bewijsoverweging niet redengevend zijn voor het bewezenverklaarde medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne, voorbereiding- en of bevorderingsmiddelen voor de bewerking van cocaïne.
3.2 Anders dan het middel stelt meen ik dat het onder 3 en 4 ten laste van verdachte bewezenverklaarde in voldoende mate uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Ik moge daarbij verwijzen naar wat ik in mijn eerder op 17 maart 2009 genomen conclusie onder rubriek 5 heb opgemerkt.
3.3 Het middel faalt en kan mijns inziens met de aan art. 81 RO te ontlenen motivering worden afgedaan.
4. Ambtshalve merk ik nog op dat ondertussen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, nu namens de verdachte, ten tijde van de aanzegging gedetineerd, op 14 februari 2008 beroep in cassatie is ingesteld en thans al vast staat dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt met zich mee dat eerder genoemde termijn is overschreden, wat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
5. Deze aanvullende conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad aangewezen acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden