Strafrecht overig

Bewijsklacht. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat het verdachte is geweest die heeft gereden…

Parket bij de Hoge Raad, 28 september 2010

Zaakgegevens

Op 28 september 2010 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28 september 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
08/02672
ECLI
ECLI:NL:PHR:2010:BM9922
E-mail

Samenvatting

Bewijsklacht. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat het verdachte is geweest die heeft gereden zonder rijbewijs.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 28 september 2010

    ECLI:NL:HR:2010:BM9922
  2. Conclusie A-G · 28 september 2010deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2010:BM9922

Conclusie

Nr. 08/02672

Mr. Vellinga

Zitting: 22 juni 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem bij arrest van 16 november 2007 wegens "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot hechtenis voor de duur van twee weken veroordeeld.

2. Namens verdachte heeft mr. Veen, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt terecht dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed is, nu, blijkens het arrest van het Hof, [verdachte] door het Hof is veroordeeld maar de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen spreken van [betrokkene] en [betrokkene] zonder dat het Hof uiteenzet dat en waarom het hier niettemin gaat om [verdachte]. Dat beide personen op dezelfde dag en op dezelfde plaats zijn geboren acht ik onvoldoende om aan te nemen dat het hier ondanks het verschil in voornaam/eerste letter van de voornaam steeds om één en dezelfde persoon gaat. Het is immers denkbaar dat [verdachte] en [betrokkene] tweelingbroers zijn.

4. Het middel slaagt.

5. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 16 juni 2008 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan 24 maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Wordt de zaak - zoals ik voorsta - verwezen of teruggewezen, dan kan het tijdsverloop bij het Hof aan de orde worden gesteld. Wordt het cassatieberoep verworpen dan kan gelet op de duur van de opgelegde straf worden volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.(1)

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 juni 2008, BD2578, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3 en 3.6.2 onder C.