Strafrecht overig

Beklag tegen beslag. Art. 552a en 94a Sv. Niet-ontvankelijkverklaring in beklag. HR herhaalt relevante…

Parket bij de Hoge Raad, 12 oktober 2010

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2010 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12 oktober 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
09/02325 B
ECLI
ECLI:NL:PHR:2010:BN4346
E-mail

Samenvatting

Beklag tegen beslag. Art. 552a en 94a Sv. Niet-ontvankelijkverklaring in beklag. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BL2823. De Rb heeft een onjuiste maatstaf aangelegd. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden, omdat klaagster daarbij geen redelijk belang heeft. De door klaagster aan haar verzoek tot teruggave ten grondslag gelegde stelling kan immers, gelet op het uiteengezette toetsingskader, i.h.k.v. het door een derde ex art. 552a Sv gedane verzoek om teruggave niet leiden tot gegrondverklaring van het klaagschrift.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 12 oktober 2010

    ECLI:NL:HR:2010:BN4346
  2. Conclusie A-G · 12 oktober 2010deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2010:BN4346

Conclusie

Nr. 09/02325 B

Mr. Vellinga

Zitting: 6 juli 2010

Conclusie inzake:

[Klaagster]

1. De Rechtbank te Almelo heeft bij beschikking van 27 mei 2009 klaagster niet ontvankelijk verklaard.

2. Namens klaagster heeft mr. M.L Groen, advocaat te Waddinxveen, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank een onjuiste beslissing heeft genomen nu gemotiveerd is aangevoerd dat er geen sprake was van wederrechtelijk verkregen voordeel.

4. De Rechtbank heeft in zijn vonnis als volgt overwogen.

"De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de eerdere beschikking van de rechtbank d.d. 27 augustus 2008 waarin het eerdere klaagschrift ongegrond werd verklaard en het interlocutoir vonnis d.d. 6 oktober 2008 waarin een nadere vermogensvergelijking van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd bevolen, het een doorkruising van die aangehouden ontnemingszaak zou zijn om thans een beslissing te nemen over de onder klaagster inbeslaggenomen goederen.

Aldus vordert het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag en dient klaagster niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar beklag."

5. De Rechtbank heeft klaagster niet ontvankelijk verklaard in haar beklag tegen het conservatoire beslag op haar toebehorende goederen omdat het beklag de ontnemingszaak zou doorkruisen. Een dergelijke grond voor afwijzing van het beklag kent de wet niet.

6. Het betoog van de raadsman van klaagster komt erop neer dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelende, tot een uitspraak zal komen die tot verhaal van wederrechtelijk verkregen voordeel op de conservatoir inbeslaggenomen goederen zal leiden. De Rechtbank is hier ten onrechte aan voorbij gegaan. Zou het betoog van de raadsman juist zijn, dan kan het beslag immers niet in stand blijven.(1)

7. Het middel slaagt.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden beschikking zou dienen te worden vernietigd.

9. Omdat de ontnemingszaak nog bij de Rechtbank aanhangig is en de Rechtbank nog niet aan inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift is toegekomen, heeft terugwijzing naar de Rechtbank mijn voorkeur.(2)

10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de Rechtbank te Almelo teneinde op het bestaande klaagschrift te beslissen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie bijvoorbeeld: HR 1 oktober 2002, NJ 2002, 614 rov. 3.3, waar de Rechtbank de juiste toets aanlegde.

2 Vgl. HR 3 januari 2006, LJN AU6781 en R. Kuiper, 552a-beklag tegen 94(a)beslag, Strafblad 2008, p. 83-111, i.h.b. p. 96.