Strafrecht overig

Gegronde bewijsklacht. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte en de in die bewijsmiddelen genoemde B…

Parket bij de Hoge Raad, 21 december 2010

Zaakgegevens

Op 21 december 2010 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21 december 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
09/00227
ECLI
ECLI:NL:PHR:2010:BO3372
E-mail

Samenvatting

Gegronde bewijsklacht. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte en de in die bewijsmiddelen genoemde B. een en dezelfde persoon zijn.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 21 december 2010

    ECLI:NL:HR:2010:BO3372
  2. Conclusie A-G · 21 december 2010deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2010:BO3372

Conclusie

Nr. 09/00227

Mr. Vellinga

Zitting: 2 november 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem veroordeeld bij arrest van 30 mei 2008.

2. Namens verdachte heeft mr. K. Kok, advocaat te Zwolle, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte de in de bewijsmiddelen genoemde Bulent is.

4. De gebezigde bewijsmiddelen houden niet in dat de verdachte is herkend als de in de bewijsmiddelen genoemde [verdachte]. Het Hof heeft bij tussenarrest wel bevolen onderzoek te doen naar de vraag of de door de getuigen [betrokkene 2 en 4] (bewijsmiddelen 2, 6, 15, 17 en 19) genoemde [verdachte] de verdachte is, maar de resultaten van dat onderzoek zijn kennelijk niet zodanig geweest dat het Hof deze voor het bewijs heeft kunnen gebruiken. In die omstandigheden vergt het nadere motivering waarom uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte de door de getuigen genoemde [verdachte] was. Dit klemt temeer nu het Hof bij tussenarrest heeft vastgesteld dat zich in het dossier een foto bevindt van "een persoon, die ook de voornaam [van verdachte] heeft, namelijk [betrokkene 14], geboren op [geboortedatum] 1966 (fotonummer 13 op pagina 1381, ordner 2)" en het arrest dus de vraag openlaat waarom het niet deze [voornaam verdachte] is die door de getuigen werd bedoeld.

5. Het middel slaagt.

6. Het tweede middel klaagt dat het beroep op onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 2 en 4] op ontoereikende gronden is weerlegd, en wel omdat het Hof er aan voorbijgaat dat die verklaringen juist onbetrouwbaar waren op het punt van het aanwijzen van de verdachte als dader.

7. Bij de bespreking van dit middel heeft de verdachte geen belang. Zoals uit de bespreking van het vorige middel volgt houden die verklaringen, voor zover voor het bewijs gebezigd, niet in dat de verdachte de dader is.

8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

9. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.(1)

10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3.