Strafrecht overig
Beklag, beslag, art. 94 Sv. Gelet op hetgeen namens klaagster in raadkamer naar voren is gebracht is het…
ECLI:NL:PHR:2012:BT2184 · Parket bij de Hoge Raad · 24 januari 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2012-bt2184
Zaakgegevens
Op 24 januari 2012 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 24 januari 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/03844 B
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2012:BT2184
Samenvatting
Beklag, beslag, art. 94 Sv. Gelet op hetgeen namens klaagster in raadkamer naar voren is gebracht is het oordeel van de Rb dat de strafrechter, later oordelend, de aan klaagster toebehorende onroerende zaken verbeurd zal verklaren zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk
Procesgang
Hoge Raad · 24 januari 2012
ECLI:NL:HR:2012:BT2184Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 24 januari 2012deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2012:BT2184
Conclusie
Nr. 10/03844 B
Mr. Knigge
Zitting: 13 september 2011
Conclusie inzake:
[Klaagster]
1. De Rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 13 augustus 2010 het beklag van klaagster ex art. 552a Sv ongegrond verklaard.
2. Tegen deze uitspraak is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.(1)
3. Namens klaagster heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel
4.1. Het middel komt op tegen de ongegrondverklaring door de Rechtbank van het klaagschrift strekkende tot teruggave aan klaagster van de inbeslaggenomen onroerende zaken, te weten het woonhuis met bedrijfspand, de ondergrond en tuin, de berging en verdere aangehorigheden gelegen aan de [a-straat 1] en [a-straat 1a] te 's-Hertogenbosch, en bevat de klacht dat het oordeel van de Rechtbank onbegrijpelijk is.
4.2. Voornoemde onroerende zaken zijn op 26 maart 2010 ten laste van [betrokkene 1] inbeslaggenomen teneinde de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.
4.3. De Rechtbank heeft haar beschikking als volgt gemotiveerd:
"De inleiding
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 26 maart 2010 door een gerechtsdeurwaarder onder klaagster gelegde beslag op de aan klaagster toebehorende onroerende zaken.
De rechter heeft kennisgenomen van de betrekkelijke stukken met bovenstaand RK-nummer en van hetgeen door klaagster, dier raadsvrouwe en de officier van justitie in openbare raadkamer van 28 mei 2010, 11 juni 2010 en 30 juli 2010 naar voren is gebracht.
Door c.q. namens klaagster is gepersisteerd bij het klaagschrift.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen de inwilliging van het klaagschrift.
De beoordeling
Het klaagschrift is tijdig ingediend, immers binnen twee jaren na de inbeslagneming.
De rechter is van oordeel dat het belang van strafvordering zich voorshands verzet tegen opheffing van het beslag ten aanzien van de onroerende zaken, te weten het woonhuis met bedrijfspand, de ondergrond en tuin, de berging en verdere aanhorigheden, gelegen aan de [a-straat 1] en [a-straat 1a] te 's-Hertogenbosch (kadastraal bekend onder sectie [A], nummers [001] en [002]). Gelet op de voorhanden zijnde stukken, welke zijn opgemaakt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek gericht tegen [betrokkene 1], is het naar het oordeel van de rechter niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen onroerende zaken verbeurd zal verklaren. De door de raadsvrouwe in openbare raadkamer van 30 juli 2010 overgelegde stukken rechtvaardigen geen andere conclusie. Gelet hierop zal de rechter als volgt beslissen.
De beslissing
Verklaart het beklag ongegrond ten aanzien van de onroerende zaken, te weten het woonhuis met bedrijfspand, de ondergrond en tuin, de berging en verdere aangehorigheden, gelegen aan de [a-straat 1] en [a-straat 1a] te 's-Hertogenbosch (kadastraal bekend onder sectie [A], nummers [001] en [002])."
4.4. De Rechtbank baseert zijn oordeel dat het belang van strafvordering zich voorshands verzet tegen opheffing van het beslag ten aanzien van de onroerende zaken op de omstandigheid dat, gelet op de stukken die zijn opgemaakt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek gericht tegen [betrokkene 1], het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen onroerende zaken verbeurd zal verklaren.
4.5. Met deze motivering geeft de Rechtbank in mijn ogen geen enkel inzicht in haar gedachtegang. Verzoekster heeft zowel in haar klaagschrift als in raadkamer onder verwijzing naar stukken aangevoerd dat de in beslag genomen panden aan haar toebehoren, dat [betrokkene 1] slechts huurder is en dat om die reden de panden niet kunnen worden verbeurd verklaard in de strafzaak tegen [betrokkene 1]. Als de Rechtbank heeft geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later zal oordelen dat, zoals de OvJ in raadkamer stelde, de panden - die blijkens het door de deurwaarder opgemaakte proces-verbaal op naam van klaagster staan - in feite in eigendom toebehoren aan van der Kallen, is niet duidelijk waarop zij dat oordeel heeft gebaseerd. (2) Als de Rechtbank het oog heeft gehad op mogelijke toepassing van art. 33a, tweede lid, Sr, dan is haar oordeel ook niet begrijpelijk nu klaagster zelf geen verdachte van witwassen is en zij dus te goede trouw lijkt te zijn wat de misdadige financiering van haar panden betreft.
4.6. Het bestreden oordeel is onvoldoende gemotiveerd. Het middel slaagt dus.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [klager] (10/03843 B), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.
2 In het kader van art. 94a Sv kent de Hoge Raad in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in het register. Vgl. HR 19 februari 2008, LJN BA7675, NJ 2008, 339 en HR 19 februari 2008, LJN BA7671, NJ 2008, 340 m.nt. Borgers. Ik vermoed dat dit in het kader van art. 94 Sv niet veel anders zal zijn.