Strafrecht overig
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep. Betekening appeldagvaarding in persoon? HR stelt rov. 3.42 uit HR LJN…
Parket bij de Hoge Raad, 14 februari 2012
ECLI:NL:PHR:2012:BU8787 · Parket bij de Hoge Raad · 14 februari 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2012-bu8787
Zaakgegevens
Op 14 februari 2012 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 februari 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10/04697
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2012:BU8787
Samenvatting
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep. Betekening appeldagvaarding in persoon? HR stelt rov. 3.42 uit HR LJN AD5163 voorop. De gedingstukken behelzen niets wat het Hof aanleiding had behoren te geven tot twijfel omtrent de geldigheid van de betekening van de appeldagvaarding. De omstandigheid dat de handtekening op de akte van uitreiking van de appeldagvaarding geen of onvoldoende gelijkenis vertoont met de handtekening op de akte rechtsmiddel, is niet zonder meer voldoende om evenbedoelde twijfel te wekken. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat in cassatie geen stukken zijn overgelegd op grond waarvan als vaststaand kan worden aangenomen dat het niet verdachte is geweest die heeft getekend voor ontvangst van de appeldagvaarding. Conclusie AG: anders.
Procesgang
Hoge Raad · 14 februari 2012
ECLI:NL:HR:2012:BU8787Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 februari 2012deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2012:BU8787
Conclusie
Nr. 10/04697
Mr. Hofstee
Zitting: 6 december 2011
Conclusie inzake:
[Verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 6 september 2010 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
2. Namens verzoeker heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, terwijl de 'Akte van uitreiking' door verzoeker niet voor ontvangst is getekend, althans dat het Hof heeft nagelaten een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de betekening van de dagvaarding.
4. Verzoeker heeft op 17 mei 2010 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Kantonrechter van 1 april 2010. De 'Akte rechtsmiddel' is door verzoeker ondertekend. Voorts is op 28 juni 2010 de dagvaarding in hoger beroep aan verzoeker betekend. Op de 'Akte van uitreiking' staat vermeld dat de dagvaarding van verzoeker aan hem in persoon is uitgereikt.(1) Tevens is deze akte onder 'handtekening voor ontvangst' voorzien van een handtekening. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van het Hof van 6 september 2010 is verzoeker niet op deze terechtzitting verschenen en heeft het Hof verstek verleend. Vervolgens heeft het Hof verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in diens hoger beroep omdat verzoeker niet tijdig een schriftuur houdende grieven tegen het vonnis van de Kantonrechter heeft ingediend en evenmin ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen dat vonnis heeft opgegeven. Op 17 september 2010 heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Hof. De 'Akte cassatie' is voorzien van een handtekening van verzoeker. Daarnaast bevindt zich in het procesdossier de 'Akte van uitreiking' van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv. Ook deze akte is aan verzoeker in persoon uitgereikt en voor ontvangst door hem getekend.
5. Controle op mogelijke persoonsverwisseling kan plaatsvinden door handtekeningen met elkaar te vergelijken.(2) De handtekening op de 'Akte van uitreiking' van de dagvaarding in hoger beroep vertoont mijns inziens geen enkele gelijkenis met de handtekeningen die door verzoeker zijn geplaatst op respectievelijk de 'Akte rechtsmiddel', de 'Akte cassatie' en de 'Akte van uitreiking' van de aanzegging in cassatie, terwijl ik in eerstgenoemde handtekening evenmin de naam van verzoeker ontwaar. Op grond hiervan acht ik het aannemelijk dat de appeldagvaarding, anders dan de 'Akte van uitreiking' vermeldt, niet aan verzoeker in persoon is uitgereikt. Hieruit vloeit voort dat het Hof de dagvaarding ten onrechte geldig heeft geoordeeld, nu verzoeker niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en de betekeningvoorschriften met betrekking tot de appeldagvaarding niet zijn nageleefd.(3)
6. Het middel is terecht voorgesteld.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.(4)
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Op het door verzoeker opgegeven adres (niet zijnde zijn GBA-adres). Ook de overige gerechtelijke stukken reppen van dat adres dan wel zijn op dat adres aan verzoeker betekend.
2 Vgl. HR 12 oktober 2004, LJN AQ8808 (r.o. 3.5 en 3.6) en HR 13 december 2005, LJN AU5790 (r.o. 3.5 en 3.6). Zie ook T&C-Sv, negende druk, 2011, art. 588, aant. 3b (bewerkt door Pelser).
3 Vgl. HR 13 december 2005, LJN AU5790.
4 Gezien art. 440 Sv meen ik niet tot nietigverklaring van de appeldagvaarding te kunnen concluderen.