Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
Parket bij de Hoge Raad, 25 september 2012
ECLI:NL:PHR:2012:BX5006 · Parket bij de Hoge Raad · 25 september 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2012-bx5006
Zaakgegevens
Op 25 september 2012 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 september 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11/01071
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2012:BX5006
Samenvatting
HR: art. 81 RO.
Procesgang
Hoge Raad · 25 september 2012
ECLI:NL:HR:2012:BX5006Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 25 september 2012deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2012:BX5006
Conclusie
Nr. 11/01071
Mr. Machielse
Zitting 19 juni 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, heeft verdachte op 15 februari 2011 voor: feitelijke aanranding van eerbaarheid, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand.
2. Mr. K. Karakaya, advocaat te Almere, heeft cassatie ingesteld. Mr. V.C. van der Velde, ook advocaat te Almere, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat niet blijkt of het hof heeft onderzocht of verdachte wel correct is opgeroepen voor de zitting van 1 februari 2011.
3.2. Op 1 februari 2011 is de verdachte niet ter terechtzitting verschenen. Wel was aanwezig mr. K. Karakaya, advocaat te Almere, die als gemachtigd advocaat het woord ter verdediging heeft gevoerd. Het middel faalt gelet op HR 29 april 2008, NJ 2008, 482 m.nt. Klip.
4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof heeft gehandeld in strijd met artikel 342 lid 2 Sv, omdat in feite het hof het bewijs enkel heeft doen steunen op de aangifte. De bewezenverklaring zou ontoereikend met redenen zijn omkleed.
4.2. Het hof heeft bewezen verklaard dat
"hij op 30 december 2009 in de gemeente Almere, door een andere feitelijkheid [betrokkene 5] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het meermalen,
- vastpakken van en grijpen/knijpen in, de borsten van [betrokkene 5] en
bestaande die andere feitelijkheid uit het plotseling en onverhoeds meermalen,
- met zijn, verdachtes, handen gaan over het lichaam van [betrokkene 5]."
4.3. Het hof heeft het bewijs doen berusten op twee verklaringen van aangeefster (bewijsmiddel 1 en 2), op een verklaring van een medebewoonster, die heeft verklaard dat verdachte, aangeefster, zijzelf en anderen op het balkon stonden, dat zij toen naar binnen is gegaan en vervolgens uit de mond van aangeefster heeft gehoord dat de verdachte aangeefster in haar borsten heeft geknepen en bij haar billen heeft gegrepen. Bij de medebewoonster heeft verdachte dat ook meerdere keren gedaan. Zij is door meerdere mensen voor hem gewaarschuwd (bewijsmiddel 3). Bewijsmiddel 4 is een verklaring van verdachte, inhoudende dat hij aangeefster vriendschappelijk een klap op haar kont heeft gegeven. Ik geef de steller van het middel toe dat de nadruk ligt op de bewijsmiddelen 1 en 2, maar de verklaring van verdachte zelf geeft voldoende steun aan deze verklaringen.(2)
5. Beide middelen falen en kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met 11/01069 en 11/01070, dezelfde verdachte betreffend, waarin ik ook vandaag concludeer.
2 Zie bijvoorbeeld HR 5 oktober 2010, NJ 2010, 612 m.nt. Borgers.