Strafrecht overig

HR: volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden.

Parket bij de Hoge Raad, 20 november 2012

Zaakgegevens

Op 20 november 2012 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20 november 2012
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
11/01974
ECLI
ECLI:NL:PHR:2012:BY0235
E-mail

Samenvatting

HR: volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 20 november 2012

    ECLI:NL:HR:2012:BY0235
  2. Conclusie A-G · 20 november 2012deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2012:BY0235

Conclusie

Nr. 11/01974

Mr. Hofstee

Zitting: 25 september 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte](1)

1. Verzoeker is bij arrest van 7 april 2011 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

2. Namens verzoeker heeft mr. J.W. Heemskerk, advocaat te Roermond, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden doordat de redelijke inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden. Dit dient te leiden tot strafvermindering, aldus de steller van het middel.

4. Het cassatieberoep is ingesteld op 11 april 2011. Blijkens een op de aanbiedingsbrief van de processtukken geplaatst stempel zijn de stukken van het geding eerst op 27 december 2011 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Dit tijdsverlies kan niet door een voortvarende behandeling in cassatie worden gecompenseerd. In zoverre is het middel gegrond. Gelet op de aan verzoeker opgelegde straffen (zoals hierboven onder 1 vermeld) en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, meen ik echter dat er geen aanleiding is om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en dat de Hoge Raad met dat oordeel zal kunnen volstaan.(2)

5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/01974 en 11/01976P. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

2 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358 (rov. 3.6.2. onder C) m.nt. Mevis.