Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2013:1 · Parket bij de Hoge Raad · 23 april 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2013-1
Zaakgegevens
Op 23 april 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 april 2013
- Datum publicatie
- 27 juni 2013
- Zaaknummer
- 12/01574
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:1
Samenvatting
HR: 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 april 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:1
Hoge Raad · 25 juni 2013
ECLI:NL:HR:2013:1
Conclusie
|
Nr. 12/01574 Zitting: 23 april 2013 |
Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 7 maart 2012 de verdachte wegens primair “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en met teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven.
2. Namens de verdachte heeft een administratief ambtenaar bij het hof beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het hof met betrekking tot de opgelegde straf op onbegrijpelijke wijze heeft overwogen dat het hof is gebleken dat deze overval in en rond Moerkapelle grote maatschappelijke onrust teweeg heeft gebracht mede vanwege het tragische gegeven dat de mededader [medeverdachte] aan de gevolgen van een val tijdens de overval is komen te overlijden, nu deze specifieke omstandigheid blijkens de processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep niet aan de orde is gekomen.
4. Het middel keert zich tegen het volgende onderdeel van de strafmotivering van het hof:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. (…) Voorts is het hof gebleken dat deze overval in en rond Moerkapelle grote maatschappelijke onrust teweeg heeft gebracht, mede vanwege het tragische gegeven dat de mededader [medeverdachte] aan de gevolgen van een val tijdens de overval is komen te overlijden.”
5. Het middel neemt als uitgangspunt dat het hof in de motivering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren heeft overwogen dat de grote maatschappelijke onrust die in en rond Moerkapelle is ontstaan, is veroorzaakt door de dood van één van de overvallers. Dat uitgangspunt berust echter op een verkeerde lezing van de (strafmotivering)overwegingen van het hof en mist daardoor feitelijke grondslag. Het hof heeft in de hiervoor weergegeven overwegingen immers enkel ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde feit overwogen dat de overval in en rond Moerkapelle grote maatschappelijke onrust teweeg heeft gebracht, die “mede” - dat wil zeggen naast de impact die een gewapende overval op een supermarkt op zichzelf beschouwd reeds heeft - het gevolg is geweest van de dood van mededader [medeverdachte].
6. De keuze van de factoren welke voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en deze keuze behoeft geen motivering. De enige grens die de rechter in acht moet nemen bij de selectie van de gegevens die hij wil gebruiken bij de straftoemeting, is dat deze moeten zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.Naast hetgeen rechtstreeks uit de stukken of uit het onderzoek ter terechtzitting voortvloeit, mag de rechter binnen deze grens evenwel ook rekening houden met andere factoren. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan factoren die verband houden met de ernst van het feit, zoals de ingetreden gevolgen van dat feit. Geen rechtsregel belet de rechter daarbij ook de (algemene) gevoelens van onveiligheid die als gevolg van een delict bij anderen dan de direct betrokkenen zijn veroorzaakt te betrekken. Het oordeel van het hof dat door het feit grote maatschappelijke onrust is ontstaan in en rond Moerkapelle en dat die onrust mede is veroorzaakt door het feit dat één van de daders bij die overval is overleden, kan verder - als van feitelijke aard - in cassatie niet met vrucht worden bestreden. De strafoplegging is ook voor het overige toereikend gemotiveerd. Verbazing wekt de opgelegde straf immers niet en onbegrijpelijk is de motivering ervan evenmin.
7. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat de voorzitter van het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2012 de korte inhoud van een uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte, de stukken van het voorbereidende onderzoek en “alle overige stukken, voor zover van belang met het oog op enige door het hof te nemen beslissing” heeft medegedeeld. Tot (de laatste categorie van) die voorgehouden stukken behoort onder meer het op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 juni 2011 overgelegde op schrift gestelde requisitoir van de officier van justitie, inhoudende dat over de overval en het overlijden van (mededader) [medeverdachte] kort na het feit veel in de media is geschreven en gezegd en dat deze zaak veel emoties heeft losgemaakt zowel bij de direct betrokkenen als bij veel mensen in de samenleving. Aldus beschouwd kan van de in het middel bedoelde omstandigheid wel degelijk worden gezegd dat zij is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
n.d.