Strafrecht overig

HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.

Parket bij de Hoge Raad, 15 oktober 2013

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15 oktober 2013
Datum publicatie
5 november 2013
Zaaknummer
13/01363
ECLI
ECLI:NL:PHR:2013:1134
E-mail

Samenvatting

HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.

Procesgang

  1. Rechtbank Amsterdam · 6 mei 2011

    ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3601
  2. Gerechtshof Amsterdam · 11 oktober 2012

    ECLI:NL:GHAMS:2012:BY0040

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

  3. Conclusie A-G · 15 oktober 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2013:1134

  4. Hoge Raad · 5 november 2013

    ECLI:NL:HR:2013:1124

    Conclusie gevolgd · Niet ontvankelijk

Conclusie

Nr. 13/01363

Zitting: 15 oktober 2013

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het beroep in cassatie van verdachte heeft betrekking op een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam. Namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft mr. M.L.M. van der Voet tijdig verweerschriften ingediend tegen het namens verdachte voorgestelde derde middel.

2. Het eerste middel, dat betrekking heeft op de onder 4. bewezenverklaarde voorbedachte raad, komt op tegen het oordeel van het Hof dat niet gebleken is dat het handelen van de verdachte het “onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging” was. Anders dan het middel wil doen geloven, heeft het Hof, dat overweegt dat van de bedoelde omstandigheid ook “overigens” niet is gebleken, niet miskend dat voor die feitelijke vaststelling “het gehele dossier” van belang is. Van een innerlijke tegenstrijdigheid is voorts geen sprake, nu het feit dat niet gehandeld is als gevolg van een plotselinge opwelling, niet uitsluit dat gehandeld is uit (een reeds langer bestaande) woede.

3. Het tweede middel berust op de onjuiste opvatting dat het Hof het bestaan van een posttraumatische stressstoornis slechts op basis van een oordeel van een psychiater kan vaststellen. Nu de vordering van de benadeelde partij door of namens de verdachte niet is betwist, behoefde het oordeel van het Hof op dit punt geen nadere motivering.

4. Het derde middel, dat erover klaagt dat het Hof bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen het beroep op het ontbreken van draagkracht heeft verworpen, faalt reeds omdat het eraan voorbijziet dat het Hof ook heeft overwogen dat de verdachte geen inzicht heeft gegeven in zijn vermogenspositie.

5. Een en ander brengt mee dat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

6. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG