Strafrecht overig
HR: 81.1 RO en strafvermindering i.v.m. overschrijding redelijke termijn.
Parket bij de Hoge Raad, 24 september 2013
ECLI:NL:PHR:2013:1301 · Parket bij de Hoge Raad · 24 september 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2013-1301
Zaakgegevens
Op 24 september 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 24 september 2013
- Datum publicatie
- 19 november 2013
- Zaaknummer
- 11/04827
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:1301
Samenvatting
HR: 81.1 RO en strafvermindering i.v.m. overschrijding redelijke termijn.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 24 september 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:1301
Hoge Raad · 19 november 2013
ECLI:NL:HR:2013:1348Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Nr. 11/04827
Mr. Wortel
Zitting 24 september 2013
conclusie inzake
[verdachte]
1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 18 oktober 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij de verdachte wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf.
1.2 Namens de verdachte heeft mr. C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, middelen van cassatie voorgesteld.
1.3 Deze zaak vertoont samenhang met de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder griffienummer 11/04828, waarin ik heden eveneens concludeer.
2. Het eerste middel klaagt over tegenstrijdigheden in de gebezigde bewijsmiddelen.
De in de toelichting op het middel genoemde punten zijn, zo daarin werkelijk onverenigbaarheden moeten worden gezien – in elk geval is geen enkel bewijsmiddel tegenstrijdig aan de bewezenverklaring – , van zo gering belang dat de redengevendheid van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, niet wordt aangetast.
Het middel faalt
3.1 Het tweede middel klaagt erover dat het Hof in de strafmotivering heeft aangekondigd bij de strafoplegging rekening te zullen houden met een overschrijding van de redelijke termijn, maar heeft verzuimd te vermelden in welke mate de straf om die reden is verminderd.
3.2 Ik meen dat er in dit 80a-RO tijdperk alle reden is de jurisprudentiële eis waarop het middel doelt te nuanceren. Het Hof heeft met zoveel woorden vastgesteld dat de termijn van twee jaar in hoger beroep met 20 dagen is overschreden. Daarmee heeft het Hof in ieder geval tot uitdrukking gebracht dat slechts een geringe strafreductie aan de orde kan zijn. Voorts in aanmerking genomen dat in dit geval 24 maanden gevangenisstraf is opgelegd voor een feit – betrokkenheid bij de uitvoer van hard drugs naar het buitenland – waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren kan volgen en dat ook in de praktijk met onvoorwaardelijke gevangenisstraf van niet geringe duur pleegt te worden afgedaan, valt zonder nadere toelichting niet in te zien welk rechtens te respecteren belang de verdachte bij deze klacht kan hebben.
4. Het derde middel klaagt eveneens over de strafmotivering, ditmaal met de klacht dat het Hof heeft verzuimd de bijzondere redenen te vermelden die een vrijheidsbenemende straf aangewezen maken.
Die redenen liggen reeds besloten in de aard van het bewezenverklaarde feit. Betrokkenheid bij het uitvoeren van niet onaanzienlijke hoeveelheden cocaïne, bij diverse gelegenheid gedurende ongeveer een half jaar, is een zo ernstige aantasting van de rechtsorde dat een andere straf dan gevangenisstraf bepaald verbazing zou wekken. Het middel faalt dus.
5.1 In elk geval het eerste en het derde middel lenen zich voor toepassing van art. 81 RO.
5.2 Uiterst voortvarende (verdere) behandeling van dit beroep zou nog kunnen voorkomen dat de daarvoor geldende redelijke termijn wordt overschreden. Met die kanttekening strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
wnd A-G