Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2013:1369 · Parket bij de Hoge Raad · 1 oktober 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2013-1369
Zaakgegevens
Op 1 oktober 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2013
- Datum publicatie
- 26 november 2013
- Zaaknummer
- 12/01360
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:1369
Samenvatting
HR: 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 1 oktober 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:1369
Hoge Raad · 26 november 2013
ECLI:NL:HR:2013:1421Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Inhoudsopgave
|
Nr. 12/01360 Zitting: 1 oktober 2013 |
Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verzoeker = verdachte] |
1. Verzoeker is bij arrest van 7 maart 2012 door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens “1 primair diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, 2 primair en 3 primair, telkens “poging tot oplichting, meermalen gepleegd”, “4 medeplegen van oplichting” en “5 poging tot oplichting”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/01360, 12/03730 en 12/01675P. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verzoeker heeft mr. S.M. Kurvers, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel klaagt dat het Hof het door de raadsvrouw van verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2012 gevoerde preliminaire verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, althans dat de motivering van die afwijzing onbegrijpelijk is dan wel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2012 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De raadsvrouw deelt mede, zakelijk weergegeven:
In de strafzaak voer ik het preliminaire verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Ten eerste omdat er geen cautie is gegeven en geen tolk bij de verhoren van cliënt aanwezig is geweest. Ten tweede omdat er wel een zoeking heeft plaatsgevonden zonder machtiging en mijn cliënt geen toestemming heeft gegeven om zijn woning te doorzoeken.
(…)
De raadsman dupliceert, zakelijk weergegeven:
Ik persisteer.
Na een korte onderbreking van de zitting voor beraad, hervat het hof de behandeling ter zitting. Als beslissing van het hof deelt de voorzitter het volgende mede:
Er is geen sprake van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafzaak. Er is niet doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte gehandeld door het openbaar ministerie. Of er sprake is van een zodanig verzuim dat dit tot bewijsuitsluiting of strafvermindering dient te leiden zal het hof beoordelen in het eindarrest.”
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het Hof heeft nagelaten te motiveren waarom het onrechtmatig handelen in het vooronderzoek niet valt aan te merken als doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verzoeker, dan wel heeft nagelaten uit te leggen waarom verzoeker niet in zijn belangen zou zijn geschaad.
Het kennelijke en niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gevende oordeel van het Hof dat uit hetgeen door de raadsvrouw van verzoeker is aangevoerd niet volgt dat door het Openbaar Ministerie doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verzoeker is gehandeld, komt mij, in aanmerking genomen dat een beschrijving van de omstandigheden waaronder de gestelde verzuimen zouden zijn begaan in het geheel ontbreekt, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd voor.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG