Strafrecht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 29 oktober 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29 oktober 2013
Datum publicatie
17 december 2013
Zaaknummer
12/00317
ECLI
ECLI:NL:PHR:2013:1961
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR: art. 81.1 RO

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 29 oktober 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2013:1961

  2. Hoge Raad · 17 december 2013

    ECLI:NL:HR:2013:2010

    Conclusie gevolgd

Conclusie

Nr. 12/00317 P

Mr. Wortel

Zitting 29 oktober 2013

conclusie inzake

[betrokkene]

1.1 Namens de veroordeelde is cassatieberoep ingesteld tegen een op 21 december 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarbij het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op € 4.139,95, en de veroordeelde ter ontneming van dit wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting is opgelegd aan de Staat € 4.000,- te betalen.

1.2 Namens de veroordeelde heeft mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, een middel van cassatie voorgesteld.

2.1 Het middel klaagt over ontoereikend gemotiveerde afwijzing van een beroep op ontbreken van draagkracht.

2.2 De daartoe strekkende overweging van het Hof, luidende:

“Het hof is gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, van oordeel dat thans niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde niet in staat zou zijn aan het hiervoor vermelde bedrag te voldoen. Het hof ziet daarom geen reden om tot matiging van het ontnemingsbedrag over te gaan. Mocht in de toekomst blijken dat er geen of onvoldoende draagkracht aanwezig is, dan zal daarover in de executiefase kunnen worden geoordeeld”

getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 31 mei 2005, ECL:NL:HR:2005: AT2729, NJ 2005/408).

Onbegrijpelijk is de beslissing op het verweer evenmin. Namens de veroordeelde is aangevoerd dat hij een verzoek had ingediend om tot de schuldsanering te worden toegelaten; en dus niet dat op de een of andere wijze reeds was vastgesteld of erkend dat hij in betalingsonmacht is komen te verkeren.

2.3 Overigens moet in gedachten worden gehouden dat toewijzing van dit verzoek, op deze grond, tot een soort juridische kortsluiting zou leiden. Al weer enige tijd geleden zijn betalingsverplichtingen die uit een vonnis van de strafrechter voortvloeien, ook ontnemingsuitspraken, opgenomen bij de zogenaamde ‘niet te goeder trouw-schulden’ van art. 358 Fw, waardoor zij ook zijn gaan behoren tot de (imperatieve) afwijzingsgronden van art. 288 Fw.

Het in dit middel bedoelde draagkrachtverweer kwam dus neer op het verzoek betalingsonmacht aan te nemen in verband met een omstandigheid die zich onmogelijk kan verwezenlijken.

3.1 Het middel leent zich voor toepassing van art. 81 RO.

3.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

wnd A-G