Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2013:2020 · Parket bij de Hoge Raad · 8 oktober 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2013-2020
Zaakgegevens
Op 8 oktober 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2013
- Datum publicatie
- 20 december 2013
- Zaaknummer
- 12/01142
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:2020
Samenvatting
HR: art. 81.1 RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 oktober 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:2020
Hoge Raad · 26 november 2013
ECLI:NL:HR:2013:2261Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Mr Jörg
Nr. 12/01142
Conclusie inzake:
Zitting 8 oktober 2013
[verdachte]
1. Bij arrest van 25 november 2011 heeft het Gerechtshof te Den Haag met verbetering van gronden een vonnis van de rechtbank Den Haag bevestigd, waarbij de verdachte wegens meermalen gepleegde mishandeling werd veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk.
2. Namens de verdachte heeft mr. W. Römelingh, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgedragen.
3. Het middel bevat de klacht dat het Hof de verdachte niet heeft gewezen op het recht zich ter zitting te laten bijstaan door een advocaat. De tweede, in het middel verwoorde klacht inhoudende dat de verdachte niet ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig afstand heeft gedaan van rechtsbijstand betreft geen handelen van de rechter waartegen in cassatie kan worden opgekomen op grond van art. 78 Wet RO.
4. In het bijzonder wordt een beroep gedaan op art. 14, derde lid sub d, IVBPR en het zogenoemde Hoogerheidearrest (HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009: BI2315, NJ 2010/143). Dit laatste arrest is in het geheel niet toepasselijk aangezien het daarin ging om een verdachte die juist niet door een advocaat wilde worden verdedigd.
5. De tekst van art. 14, derde lid sub d, IVBPR luidt:
"Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft een ieder, in volle gelijkheid, recht op de volgende minimumgaranties:
(…)
(d)(…) de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze; ingeval hij geen rechtsbijstand heeft, van het recht daarop in kennis te worden gesteld; rechtsbijstand toegewezen te krijgen, indien het belang van de rechtspraak dit eist, en zonder dat daarvoor betaling van hem kan worden verlangd, indien hij niet over voldoende middelen beschikt;"
6. Het middel is gedoemd te mislukken aangezien op de achterzijde van de dagvaarding de volgende standaardtekst voorkomt:
"2. Bijstand van een advocaat
U heeft recht op rechtsbijstand (art. 40 ev. Wetboek van strafvordering). Als u nog geen advocaat hebt, kunt u om toevoeging van een advocaat vragen bij het Juridisch Loket (telefoonnummer 0900-8020). Als u gedetineerd bent, wordt u een advocaat toegewezen."
7. Aldus is voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in het IVBPR. Dat het Hof zelf op dat recht moet wijzen is een eis die het recht niet kent.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Waarnemend A-G