Strafrecht overig
Profijtontneming. Geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Betrokkene n-o in cassatieberoep.
ECLI:NL:PHR:2013:57 · Parket bij de Hoge Raad · 14 mei 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2013-57
Zaakgegevens
Op 14 mei 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 mei 2013
- Datum publicatie
- 9 juli 2013
- Zaaknummer
- 11/02146 P
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:57
Samenvatting
Profijtontneming. Geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Betrokkene n-o in cassatieberoep.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 mei 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:57
Hoge Raad · 2 juli 2013
ECLI:NL:HR:2013:93Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 11/02146 P Zitting: 14 mei 2013 |
Mr. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene] |
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 30 maart 2011 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat bepaald op € 11.333,- en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/02147, 11/02146 P, 11/01813 P en 11/01812. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam is namens de betrokkene tijdig cassatieberoep ingesteld.
4. Ingevolge art. 437, tweede lid, Sv dient op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie te zijn ingediend. Nu in de onderhavige zaak bij de Hoge Raad niet (tijdig) zo een schriftuur is ingediend, dient de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn cassatieberoep.
5. Deze conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de betrokkene in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG