Strafrecht overig

Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de HR door een raadsman een schriftuur houdende…

Zaakgegevens

Op 5 februari 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
5 februari 2013
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
11/02872
ECLI
ECLI:NL:PHR:2013:BY9714
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de HR door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437.2 Sv, zodat verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

Procesgang

  1. Hoge Raad · 5 februari 2013

    ECLI:NL:HR:2013:BY9714
  2. Conclusie A-G · 5 februari 2013deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2013:BY9714

Conclusie

Nr. 11/02872

Mr. Machielse

Zitting 4 december 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 25 september 2001 voor 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2. en 3. telkens opleverende "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod", 4. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van Wet wapens en munitie, en het feit begaan door het dragen van een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" en 5. "het medeplegen van: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en het medeplegen van: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot tien jaren gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. Op 14 januari 2003 heeft de Hoge Raad dit arrest vernietigd, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen gegeven ten aanzien van de onder 1, 2 en 5 tenlastegelegde feiten en de strafoplegging en de zaak verwezen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, zitting houdende te 's-Gravenhage, heeft vervolgens op 2 december 2010 het openbaar ministerie in de vervolging voor de feiten 1, 2 en 3 niet-ontvankelijk verklaard en heeft voor de feiten 4 en 5 een gevangenisstraf voor de duur van een jaar opgelegd.

2. Namens verdachte heeft mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, eveneens advocaat te Amsterdam, heeft zich als verdachtes raadsman in cassatie gesteld.(2)

3. De aanzegging van art. 435 lid 1 Sv is op 22 juli 2011 niet in persoon doch op geldige wijze betekend. Binnen de in art. 437 lid 2 Sv genoemde termijn van twee maanden is in de zaak van verdachte geen schriftuur ontvangen. Het cassatieberoep is derhalve niet-ontvankelijk.

4. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] (11/00014), waarin ik vandaag ook concludeer.

2 De stelbrief is op 14 mei 2012 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.