Strafrecht overig
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk.
ECLI:NL:PHR:2013:BZ2961 · Parket bij de Hoge Raad · 5 maart 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2013-bz2961
Zaakgegevens
Op 5 maart 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 5 maart 2013
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- 12/00976
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:BZ2961
Samenvatting
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk.
Procesgang
Rechtbank Arnhem · 28 december 2009
ECLI:NL:RBARN:2009:BK7682Gerechtshof Arnhem · 13 februari 2012
ECLI:NL:GHARN:2012:BV3803(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Hoge Raad · 5 maart 2013
ECLI:NL:HR:2013:BZ2961Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 5 maart 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:BZ2961
Conclusie
Nr. 12/00976
Mr. Knigge
Zitting: 5 februari 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het beroep in cassatie van verdachte heeft betrekking op een arrest van het Gerechtshof Arnhem.
2. De bestreden uitspraak vormt het vervolg op HR 4 oktober 2011, LJN BR2329, waarin de Hoge Raad de zaak terugwees na vernietiging wegens een ontoereikende weerlegging van een gedaan beroep op noodweer. Het Hof heeft het verweer thans op een andere grond verworpen, namelijk dat de feitelijke gang van zaken die aan het verweer ten grondslag is gelegd niet aannemelijk is geworden en dat derhalve, zo stelt het Hof expliciet met betrekking tot het gedane beroep op noodweerexces, niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de kant van het slachtoffer. Dat oordeel is door het Hof uitvoerig gemotiveerd.
3. Tegen dat feitelijke oordeel komt het middel tevergeefs op. Voor zover het middel daarbij niet miskent dat de waardering van de feiten is voorbehouden aan het Hof, lijkt het te berusten op de onjuiste opvatting dat van een toereikende "weerlegging" van het gevoerde verweer eerst sprake is als onomstotelijk komt vast te staan dat de gestelde feiten niet kloppen. De aan te leggen maatstaf is of de gestelde feiten aannemelijk zijn geworden. Al hetgeen het Hof in aanmerking heeft genomen, kan diens oordeel dat dit niet het geval is, ruimschoots dragen. Daarbij geldt dat een enkele onnauwkeurigheid op een ondergeschikt punt aan de begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel niet af kan doen.
4. Voor zover het middel ook nog de zelfstandige klacht bevat dat het Hof ten onrechte het gedane verzoek heeft afgewezen om een onderzoek in te stellen naar de gang van zaken die heeft geleid tot het eerdere arrest van het Hof Arnhem in deze zaak, faalt het eveneens. Het oordeel van het Hof op dit punt getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
5. Een en ander brengt mee dat het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
6. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet ontvankelijk kan worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG