Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
Parket bij de Hoge Raad, 9 april 2013
ECLI:NL:PHR:2013:BZ6523 · Parket bij de Hoge Raad · 9 april 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2013-bz6523
Zaakgegevens
Op 9 april 2013 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 april 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- 12/04190
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2013:BZ6523
Samenvatting
HR: 80a RO.
Procesgang
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 28 december 2011
ECLI:NL:GHSHE:2011:BV0119Hoge Raad · 9 april 2013
ECLI:NL:HR:2013:BZ6523Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 9 april 2013deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2013:BZ6523
Conclusie
Nr. 12/04190
Mr. Vellinga
Zitting: 19 maart 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het beroep in cassatie van verdachte heeft betrekking op een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 28 december 2011.
2. Het eerste middel klaagt over ontoereikende weerlegging van het beroep op het ontbreken van causaliteit omdat er sprake was van een medische misser.
3. Door - zij het ten overvloede - te overwegen dat ook in het geval er sprake zou zijn geweest van een medische fout in de behandeling van [betrokkene] het overlijden van [betrokkene] redelijkerwijs aan verdachte is toe te rekenen heeft het Hof dit verweer toereikend gemotiveerd verworpen; vgl. HR 7 mei 1985, NJ 1985, 821, m.nt. 't H. Daarom kan buiten beschouwing blijven of het Hof op goede gronden heeft geoordeeld dat aan het beroep op een medische misser geen nadere uitleg is gegeven.
4. Het tweede middel richt zich tegen de overweging van Hof dat juist moge zijn dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte met zijn handelswijze zijn eigen leven in de waagschaal wilde stellen, maar dat verdachte als bestuurder van een personenauto in een verkeersongeval met een zwakkere verkeersdeelnemer een dergelijk risico niet heeft behoeven af te wegen.
5. Het oordeel van het Hof moet als volgt worden begrepen. De verdachte stond, als bestuurder van een personenauto de sterkere verkeersdeelnemer ten opzichte van de voetganger als zwakkere verkeersdeelnemer, anders dan de bestuurder in het geval dat ten grondslag lag aan het door verdachtes raadsman ingeroepen zogenaamde Porsche-arrest(1) niet voor de vraag of hij door zijn manoeuvre zijn eigen leven ook in gevaar zou brengen. Daarom roept het ontbreken van aanwijzingen dat verdachte bereid was met zijn handelswijze zijn eigen leven in de waagschaal te stellen geen twijfel op aan het bewijs van het opzet op de dood van de voetganger, en wel omdat de onderhavige manoeuvre - anders dan die van de verdachte in het hiervoor genoemde arrest - verdachtes eigen leven niet wezenlijk in gevaar bracht en hij dus ook niet voor de vraag stond of hij die manoeuvre zou uitvoeren ook al liep hij gevaar daarbij zelf het leven te verliezen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 199.