Strafrecht overig
Ontvankelijkheid cassatieberoep. Instellen cassatie door gemachtigde griffiemedewerker op 18 februari 2013…
ECLI:NL:PHR:2014:117 · Parket bij de Hoge Raad · 11 februari 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-117
Zaakgegevens
Op 11 februari 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 februari 2014
- Datum publicatie
- 11 maart 2014
- Zaaknummer
- 13/02181
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:117
Samenvatting
Ontvankelijkheid cassatieberoep. Instellen cassatie door gemachtigde griffiemedewerker op 18 februari 2013. Aangehechte volmacht is blijkens datumstempel op 5 februari 2013 ter strafgriffie ingekomen. Nu het dossier geen aanwijzingen bevat voor het oordeel dat het eerst op 18 februari 2013 instellen van het beroep het gevolg is van een aan verdachte toe te rekenen ambtelijk verzuim, stuit de ontvankelijkheid van het beroep niet af op de omstandigheid dat het beroep eerst is ingesteld na het verstrijken van de cassatietermijn. De HR verklaart het cassatieberoep echter met toepassing van art. 80a RO n-o.
Procesgang
Uitspraak · 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:53Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 februari 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:117
Hoge Raad · 11 maart 2014
ECLI:NL:HR:2014:531Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
Nr. 13/02181
Mr. Vegter
Zitting 11 februari 2014
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 januari 2013. Er is een schriftuur houdende vier middelen van cassatie ingekomen.
2. Primair stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is. Immers blijkens de akte van cassatie is tegen het op tegenspraak gewezen arrest van het Hof van 23 januari 2013 op 18 februari 2013 en daarmee buiten de wettelijke termijn beroep in cassatie ingesteld. De steller van het middel meent dat dit toe te schrijven valt aan ‘administratieve onjuistheden’, maar deze worden niet anders onderbouwd dan door op te merken dat de raadsman van verdachte bij volmacht van 5 februari 2013 aan de griffiemedewerker van het Hof Amsterdam volmacht heeft verleend tot het instellen van cassatie. Daarmee staat echter nog niet zonder meer vast dat sprake is van een administratieve onregelmatigheid die niet voor rekening van verdachte komt. Voor het geval de Hoge Raad verdachte ontvankelijk acht in het ingestelde beroep in cassatie het volgende.
3. Hoewel de formulering van de vier ‘middelen’ de vraag oproept of daarvan wel sprake is, laat ik dit verder onbesproken. Het eerste middel betreft de verwerping door het Hof van de stelling van de verdediging dat de verklaringen van verdachte niet in vrijheid zijn afgelegd. Het middel gaat geheel langs de verwerping door het Hof heen en maakt daarmee niet duidelijk dat en waarom die verwerping te kort zou schieten. Het tweede middel betreft de verwerping van een beroep op (putatief) noodweer. In het licht van hetgeen blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting ter onderbouwing van het beroep op noodweer(exces) is aangevoerd is de verwerping daarvan door het Hof die in de kern inhoudt dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake was van een noodweersituatie toereikend. Het derde middel beoogt kennelijk op te komen tegen de motivering van het bewezenverklaarde opzet. Het bevat een herhaling van zetten uit de feitelijke aanleg waarop het Hof in een afzonderlijke bewijsoverweging is ingegaan. Waarom het Hof het in die bewijsoverweging bij het verkeerde eind zou hebben wordt op geen enkele wijze in het middel of de toelichting daarop onderbouwd. Voor zover ik het vierde middel kan doorgronden richt het zich tegen de waardering van bewijsmiddelen en daarvoor is in cassatie geen ruimte.
4. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie nu de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG