Strafrecht overig
Tegen de beslissing tot toewijzing van de vordering tot uitstel van de v.i. staat gelet op art. 15f.5 Sr geen…
ECLI:NL:PHR:2014:1522 · Parket bij de Hoge Raad · 8 juli 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-1522
Zaakgegevens
Op 8 juli 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 juli 2014
- Datum publicatie
- 26 augustus 2014
- Zaaknummer
- 14/00740
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:1522
Samenvatting
Tegen de beslissing tot toewijzing van de vordering tot uitstel van de v.i. staat gelet op art. 15f.5 Sr geen h.b. open, terwijl uit dezelfde bepaling volgt dat geen cassatieberoep openstaat tegen ’s Hofs niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in zijn h.b. HR verklaart de veroordeelde n-o in het cassatieberoep. CAG: art. 80a RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 juli 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:1522
Hoge Raad · 26 augustus 2014
ECLI:NL:HR:2014:2481Conclusie contrairGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 14/00740 Zitting: 8 juli 2014 |
Mr. Knigge Conclusie inzake: [de veroordeelde] |
1. Het beroep in cassatie van verdachte heeft betrekking op een beschikking van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
2. Het oordeel van het Hof dat tegen de beslissing van de Rechtbank op de in art. 15d lid 4 Sr bedoelde vordering van het openbaar ministerie geen hoger beroep openstaat, is gezien het bepaalde in art. 14f lid 5 Sr juist. Art. 6 EVRM, waarop in de schriftuur een beroep wordt gedaan, maakt dat niet anders, reeds omdat van een ‘determination of a criminal charge’ in de onderhavige procedure geen sprake is, zodat het artikel toepassing mist. Het voorgaande brengt mee dat het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
3. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO, dat ook toepassing kan vinden als zich een andere grond voor niet-ontvankelijkheid voordoet, niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG