Strafrecht overig
Opgave bewijsmiddelen, art. 359.3 Sv. De raadsman van verdachte heeft ttz. in h.b. vrijspraak bepleit. Uit de…
Parket bij de Hoge Raad, 20 mei 2014
ECLI:NL:PHR:2014:1530 · Parket bij de Hoge Raad · 20 mei 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-1530
Zaakgegevens
Op 20 mei 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 mei 2014
- Datum publicatie
- 27 augustus 2014
- Zaaknummer
- 13/02959
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:1530
Samenvatting
Opgave bewijsmiddelen, art. 359.3 Sv. De raadsman van verdachte heeft ttz. in h.b. vrijspraak bepleit. Uit de bewoordingen van art. 359.3 Sv volgt dat in zo een geval deze bepaling geen toepassing kan vinden. De overweging van het Hof in samenhang bezien met de in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen - waaronder de door het Hof weergegeven verklaring van verdachte - bevatten tezamen de voor de bewezenverklaring redengevende f&o en een opgave van de wettige bewijsmiddelen waaraan die f&o zijn ontleend. Dat het Hof onder verwijzing naar de tweede volzin van art. 359.3 Sv heeft overwogen dat het heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, doet daaraan niet af.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 20 mei 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:1530
Hoge Raad · 9 september 2014
ECLI:NL:HR:2014:2742Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 13/02959 Zitting: 20 mei 2014 |
Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Verzoeker is bij arrest van 26 maart 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, wegens “Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
2. Namens verzoeker heeft mr. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte met een opgave van bewijsmiddelen heeft volstaan, nu verzoeker en zijn raadsman vrijspraak hebben bepleit.
4. Ten laste van verzoeker is door het Hof bewezenverklaard dat:
“hij op 06 maart 2007 in de gemeente Zeewolde opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [a-straat]) een hoeveelheid van 776 hennepplanten zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“Door het hof gebezigde bewijsmiddelen
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte volstaat het hof ten aanzien van het onder tenlastegelegde, conform artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.
In de hierna te melden bewijsmiddelen (onder 2 en 3) wordt verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politie, genummerd 2007015507, gedateerd 23 juli 2007, met bijlagen, ondertekend door [verbalisant 2], agent van politie.
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof van 12 maart 2013 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb op 6 maart 2007 in mijn bedrijf aan de [a-straat] in Zeewolde 776 hennepplanten aanwezig gehad. De dozen waarin de plantjes zaten waren van mij. Ik wist ook dat er hennepplantjes in zaten.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage I van het proces-verbaal genummerd 2007015507) inhoudende het relaas van bevindingen van verbalisanten.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal (als bijlage II van het proces-verbaal genummerd 2007015507) inhoudende het relaas van bevindingen van verbalisanten, voor zover betrekking hebbend op een monster van de inbeslaggenomen 776 hennepplanten (1e proces-verbaal technische recherche).”
6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 maart 2013 heeft verzoeker aldaar, voor zover hier van belang, het volgende verklaard:
“Ik vind dat de agent zo’n grote fout heeft gemaakt dat ik niet veroordeeld kan worden.”
7. Voorts heeft verzoekers raadsman ter terechtzitting in hoger beroep het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota, die, voor zover hier van belang, het volgende inhoudt:
“Subsidiair, indien uw hof van oordeel zou zijn dat in casu een niet ontvankelijk verklaring van het OM te ver zou gaan, is de verdediging van mening dat in ieder geval lid 1 sub B toegepast dient te worden.
De aangetroffen planten moeten worden uitgesloten van bewijs en dient client van het ten laste gelegde vrijgesproken te worden.
(…)
Conclusie
De beslissing van de politierechter dient te worden vernietigd en het OM moet niet ontvankelijk verklaard worden en subsidiair dient client vrijgesproken te worden van het ten laste gelegde feit
Ik verzoek u dan ook de beslissing van de politierechter te vernietigen en het OM niet ontvankelijk te verklaren, subsidiair verzoek ik u client vrij te spreken van het ten laste gelegde feit.”
8. Artikel 359, derde lid, Sv, dat ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep toepasselijk is, luidt als volgt:
"De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit."
9. Uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat zij geen toepassing kan vinden ingeval door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. Het doet daarbij niet ter zake welke gronden daaraan ten grondslag zijn gelegd. Dat betekent dat het Hof niet had mogen volstaan met enkel een opgave van de bewijsmiddelen, nu verzoekers raadsman bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak ten aanzien van het aan verzoeker tenlastegelegde heeft bepleit.
10. In zoverre heeft de steller van het middel een punt. Ik meen echter dat dit bij gebreke van enig belang voor verzoeker niet tot cassatie hoeft te leiden, en wel op grond van het navolgende. Het eerste door het Hof gebezigde bewijsmiddel bevat de erkenning van verzoeker dat hij op 6 maart 2007 in zijn bedrijf, naar hij wist, 776 hennepplantjes aanwezig heeft gehad. Wat in dit verband in het door het Hof als bewijsmiddel 2 aangestipte relaas van bevindingen van de verbalisanten valt te lezen, blijkt uit het vonnis van de politierechter: bij een doorzoeking in het door verzoeker geëxploiteerde bedrijf “[A]” zijn in zeven identieke dozen in totaal 776 hennepstekplanten aangetroffen en in beslaggenomen. Van een monster van de planten is, aldus het vonnis van de rechtbank, door de technische recherche vastgesteld dat zij THC bevatten (naar ik meen te mogen begrijpen is dit het derde door het Hof gebezigde bewijsmiddel).
11. Op grond van het voorgaande ben ik van oordeel dat het middel tevergeefs is voorgesteld.
12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG