Strafrecht overig

Economische zaak. Geen schriftuur houdende middelen ingediend. N.o. cassatieberoep.

Zaakgegevens

Op 10 juni 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10 juni 2014
Datum publicatie
27 augustus 2014
Zaaknummer
13/04398
ECLI
ECLI:NL:PHR:2014:1576
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Economische zaak. Geen schriftuur houdende middelen ingediend. N.o. cassatieberoep.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 10 juni 2014deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2014:1576

  2. Hoge Raad · 16 september 2014

    ECLI:NL:HR:2014:2840

    Conclusie gevolgd

Conclusie

Nr. 13/04398 E

Zitting: 10 juni 2014

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 3 februari 2012 de verdachte ter zake van 3. en 4. “medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, vierde lid, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, meermalen gepleegd” en 5. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en de teruggave gelast aan de verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.

2. Deze zaak hangt samen met zaaknummers 12/01257 E, 13/04334 E, 13/04394 E en 13/04396 E. In alle zaken zal ik vandaag concluderen.

3. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld.

4. De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 24 september 2013 betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 25 november 2013. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.

5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG