Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2014:1775 · Parket bij de Hoge Raad · 26 augustus 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-1775
Zaakgegevens
Op 26 augustus 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 augustus 2014
- Datum publicatie
- 25 september 2014
- Zaaknummer
- 13/06103
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:1775
Samenvatting
HR: art. 80a RO
Procesgang
Uitspraak · 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:4047Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 augustus 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:1775
Hoge Raad · 16 september 2014
ECLI:NL:HR:2014:2799Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 13/06103 Zitting: 26 augustus 2014 |
Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 12 november 2013. Namens verzoeker is tijdig een schriftuur houdende vijf middelen van cassatie ingezonden.
2. Anders dan in het eerste, het tweede en het derde middel wordt aangevoerd houden de bewijsmiddelen 1, 12 en 13 geen verklaringen in die een ongeoorloofde conclusie/gissing bevatten. Het eerste bewijsmiddel is een feitelijke weergave van een door verzoeker gevoerd telefoongesprek, terwijl de bewijsmiddelen 12 en 13 weergeven wat de getuige Zwart heeft waargenomen.
3. Anders dan het vierde middel stelt, heeft het Hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd uiteengezet dat voor de aangedragen alternatieve scenario’s geen enkel uit het dossier blijkend aanknopingspunt is te vinden.
4. Het vijfde middel is tevergeefs voorgesteld, nu het Hof heeft overwogen dat het mede gelet op de (geringe) overschrijding van de redelijke termijn tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar in plaats van tien jaar is gekomen.
5. Op grond van het voorgaande kunnen de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden en stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG