Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2014:1830 · Parket bij de Hoge Raad · 23 september 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-1830
Zaakgegevens
Op 23 september 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 september 2014
- Datum publicatie
- 14 oktober 2014
- Zaaknummer
- 13/01843
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:1830
Samenvatting
HR: art. 80a RO.
Procesgang
Rechtbank 's-Gravenhage · 18 maart 2011
ECLI:NL:RBSGR:2011:BP8369Gerechtshof Den Haag · 9 april 2013
ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6829(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 september 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:1830
Hoge Raad · 14 oktober 2014
ECLI:NL:HR:2014:2963Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
Nr. 13/01843
Mr. Harteveld
Zitting 23 september 2014
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 9 april 2013 verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van voorarrest, ter zake van (1, meest subsidiair) “Medeplichtigheid aan medeplegen van mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft” en (2 meer subsidiair) “Medeplichtigheid aan medeplegen van mishandeling”.
2. Verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Namens hem heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Den Haag, een schriftuur ingezonden, houdende zeven middelen van cassatie.
3. De middelen zijn evident tevergeefs voorgesteld. Daartoe enkele korte opmerkingen. Voor een deel behelst de schriftuur in wezen een ‘napleiten’ tegen deugdelijke overwegingen van het Hof. Dat geldt zeker voor de middelen I en II, die zich richten tegen verwerpingen van verweren door het Hof op een wijze die telkens geenszins onbegrijpelijk is en geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Middel III en IV stuiten beide af op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter, i.c. het Hof. De in het vijfde middel genoemde zinsnede voegt weliswaar niet veel toe aan de bewijsvoering – de getuige herinnert het zich (bijna drie jaar later) niet goed, maar denkt van wel -, maar een ontoelaatbare gissing betreft het niet. Waarom verdachtes aanwezigheid bij de tenlastegelegde mishandelingen in de onderhavige zaak is aan te merken als een handeling opleverende medeplichtigheid heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en op niet onbegrijpelijke wijze vastgesteld (middel VI). En dat de onder 1 bewezenverklaarde geweldshandelingen jegens het later overleden slachtoffer [slachtoffer] pijn en letsel teweeg hebben gebracht (middel VII), volgt genoegzaam uit de bewijsvoering. Een fractie uit de tot het bewijs gebezigde sectiebevindingen: “Bij de sectie waren er tekenen van multipel en heftig, uitwendig, mechanisch, botsend geweld op het lichaam” en: “De ouderdom van de letsels kan goed passen bij een incident enkele dagen voor het overlijden”.
4. Alle zeven middelen rechtvaardigen geen behandeling in cassatie.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG