Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2014:2048 · Parket bij de Hoge Raad · 2 september 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-2048
Zaakgegevens
Op 2 september 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 2 september 2014
- Datum publicatie
- 17 november 2014
- Zaaknummer
- 13/04758
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:2048
Conclusie
Nr. 13/04758
Mr. Aben
Zitting 2 september 2014
Standpunt c.q. conclusie inzake:
[verdachte]
Bestreden arrest:
Gerechtshof ’s-Gravenhage d.d. 17 september 2013
Het hof heeft de verdachte veroordeeld wegens poging tot doodslag. Bewezen verklaard is dat het slachtoffer meermalen met kracht met de botte kant van een zware bijl heeft geslagen, onder meer in de richting van het hoofd van het slachtoffer.
Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het hof het volgende overwogen:
“Door de verdediging is bestreden dat de onder 1 tenlastegelegde handelingen poging tot doodslag op leveren. Het hof stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met de scherpe kant van een bijl die 3 a 4 kilo zwaar was en een stalen kop had dusdanig slaande bewegingen richting het hoofd van de aangever heeft gemaakt, dat de aangever zich daartegen moest verweren door zijn armen op zijn hoofd te leggen. Dat de slaande bewegingen met kracht zijn gemaakt leidt het hof af uit de breuk van de linker onderarm van Vrolijk die als gevolg van het slaan met de bijl is ontstaan. De kans dat een dergelijke krachtige slag met een 3 a 4 kilogram zware bijl op de schedel van een mens de dood ten gevolge heeft wordt door het hof als aanmerkelijk gekwalificeerd. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte door die bewegingen met een dergelijk kracht en dergelijk gevaarlijk voorwerp te maken, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever daardoor zou kunnen te komen overlijden.”
Het middel, dat klaagt over de motivering van de bewezenverklaring is evident kansloos voorgesteld. ’s Hofs oordeel dat de slaande bewegingen met kracht zijn gemaakt, komt mij geenszins onbegrijpelijk voor. Dat oordeel is bovendien toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat, zoals door de steller van het middel wordt aangevoerd, uit de voor het bewijs gebezigde medische verklaring (bewijsm. 5) slechts kan volgen dat het slachtoffer aan zijn linkerarm letsel heeft bekomen.
De klacht kan worden afgedaan op de voet van artikel 80a RO.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
n.d.