Strafrecht overig
Beklag, beslag, art. 552a Sv. Op de voet van art. 83 RO heeft de HR inlichtingen ingewonnen. Daaruit blijkt…
ECLI:NL:PHR:2014:2169 · Parket bij de Hoge Raad · 23 september 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-2169
Zaakgegevens
Op 23 september 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 september 2014
- Datum publicatie
- 25 november 2014
- Zaaknummer
- 14/01759
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:2169
Samenvatting
Beklag, beslag, art. 552a Sv. Op de voet van art. 83 RO heeft de HR inlichtingen ingewonnen. Daaruit blijkt dat het inbeslaggenomen geldbedrag (onherroepelijk) is verbeurdverklaard. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat, indien het gerecht dat het klaagschrift behandelt constateert dat de voorwerpen waarop het klaagschrift ziet inmiddels zijn verbeurdverklaard of onttrokken zijn aan het verkeer, het gerecht het klaagschrift ex art. 552a Sv moet opvatten als klaagschrift ex art. 552b Sv en zo nodig, o.g.v. art. 552b.2 Sv, zal verwijzen naar het bevoegde gerecht (vgl. HR 23 november 1993, NJ 1994/263). Deze beslissing is eerst onherroepelijk geworden in de cassatiefase van deze beklagzaak. Ook voor dit situatie geldt dat het klaagschrift moet worden opgevat als klaagschrift ex art. 552b Sv. De HR zendt de stukken naar het bevoegde gerecht. Conclusie AG: anders.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 september 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:2169
Hoge Raad · 25 november 2014
ECLI:NL:HR:2014:3419Conclusie contrairGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
Inhoudsopgave
Nr. 14/01759 B
Mr. Harteveld
Zitting 23 september 2014
Conclusie inzake:
[klaagster]
1. De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 17 januari 2014 het klaagschrift strekkende tot teruggave aan klaagster van een inbeslaggenomen geldbedrag van EUR 2.640,- ongegrond verklaard.
2. Mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft in deze zaak bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank ten onrechte niet de grondslag van het beslag heeft vastgesteld waardoor niet kan worden beoordeeld of zij de juiste maatstaf heeft toegepast, althans dat zij de ongegrondverklaring van het beklag ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Inleiding
(…)
De officier van justitie heeft zich ter zitting van de openbare raadkamer op het standpunt gesteld dat het beslag gehandhaafd dient te blijven nu het, gelet op haar financiële situatie, niet duidelijk is of dit geld aan klaagster toebehoort en tevens ten behoeve van een te verwachte verbeurdverklaring in de strafzaak tegen [betrokkene].
De beoordeling
(…)
De raadsman stelt zich op het standpunt dat voornoemde geldbedrag spaargeld betreft dat aan klaagster toebehoort, gelet op het patroon van de geldopnames door cliënt en het feit dat zij direct na de inbeslagname concreet de hoogte van het bedrag en de locatie ervan heeft aangegeven.
De rechter is van oordeel, gelet op het feit dat klaagster schulden heeft en het niet duidelijk is waar het geld vandaan komt, dat het belang van strafvordering zich op dit moment nog verzet tegen teruggave, nu het naar haar oordeel niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend in de strafzaak tegen [betrokkene], het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal verklaren. Derhalve zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.
DE BESLISSING
De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.”
Het middel heeft een punt daar waar het klaagt dat de Rechtbank niet expliciet heeft vastgesteld welke wettelijke bepaling de grondslag vormde voor het beslag. Echter, uit de overwegingen van de Rechtbank kan duidelijk worden afgeleid dat zij de toetsingsmaatstaf ex art. 94 Sv heeft aangelegd. Dat de Rechtbank er vanuit is gegaan dat onder klaagster op basis van art. 94 Sv beslag is gelegd, is niet onbegrijpelijk. Immers, uit de stukken van het geding, zoals de kennisgeving van inbeslagneming en de conclusie OM van 13 januari 2014 blijkt evident dat het gaat om beslag gelegd op de voet van art. 94 Sv. In feitelijke aanleg was dit kennelijk ook voor alle partijen duidelijk, deze kwestie is immers niet tijdens de behandeling in raadkamer aan de orde gesteld. In cassatie kan er aldus van worden uitgegaan dat het hier om een ex art. 94 Sv gelegd beslag gaat.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van strafvordering zich in casu verzet tegen de teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan klaagster. Daarbij heeft de Rechtbank klaarblijkelijk in aanmerking genomen hetgeen door de Officier van Justitie in raadkamer naar voren is gebracht, aangezien zij aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd het feit dat klaagster schulden heeft en dat het niet duidelijk is geworden waar het geld vandaan komt. Met die overwegingen heeft de Rechtbank kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding het voortduren van het beslag vordert. Aldus verstaan heeft de Rechtbank de juiste maatstaf aangelegd voor beslag ex art. 94 Sv en deze niet onbegrijpelijk toegepast. Het oordeel van de Rechtbank, dat afhankelijk is van waarderingen en vaststellingen van feitelijke aard en in cassatie slechts marginaal kan worden getoetst, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, óók gelet op hetgeen namens klaagster in raadkamer is aangevoerd. Tot een nadere motivering was de Rechtbank, anders dan de steller van het middel wil, niet gehouden. Nu dat oordeel de beslissing van de Rechtbank dat het klaagschrift ongegrond wordt verklaard zelfstandig kan dragen, behoeft de klacht dat de Rechtbank haar oordeel dat ‘het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later oordelend (…), het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal verklaren’ ontoereikend heeft gemotiveerd, geen bespreking.
4. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG