Strafrecht overig
Art. 22d Sr jo. art. 14g.1 en 2 Sr. Last tot tenuitvoerlegging van een taakstraf van 30 uren met een…
ECLI:NL:PHR:2014:235 · Parket bij de Hoge Raad · 4 februari 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-235
Zaakgegevens
Op 4 februari 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 februari 2014
- Datum publicatie
- 1 april 2014
- Zaaknummer
- 13/01762
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:235
Samenvatting
Art. 22d Sr jo. art. 14g.1 en 2 Sr. Last tot tenuitvoerlegging van een taakstraf van 30 uren met een subsidiaire straf van 15 dagen hechtenis in plaats van een eerder voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf van 2 weken. HR: De last tot tenuitvoerlegging van een taakstraf van 30 uren ter vervanging van de hechtenis van 14 dagen levert geen strijdigheid op met art. 22d.3 Sr, noch met art. 14g.1 en 2 Sr. De bevolen vervangende hechtenis is wel strijdig met deze bepalingen. De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat de rechter zal gelasten dat een vrijheidsstraf zal worden tenuitvoergelegd die van langere duur is dan de niet tenuitvoergelegde straf. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat het de rechter evenmin vrij staat om een vervangende hechtenis op te leggen die de duur van de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstraf overstijgt.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 februari 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:235
Hoge Raad · 1 april 2014
ECLI:NL:HR:2014:776
Conclusie
Inhoudsopgave
|
Nr. 13/01762 Zitting: 4 februari 2014 |
Mr. Knigge Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 18 maart 2013 verdachte wegens “poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen met een voorwaardelijk gedeelte van twintig dagen met een proeftijd van twee jaar en tot een taakstraf voor de duur van veertig uren met een subsidiaire straf van twintig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof ter zake van een vordering tot tenuitvoerlegging in plaats van een eerder aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken een taakstraf voor de duur van dertig uren met een subsidiaire straf van vijftien dagen hechtenis gelast.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, drie middelen van cassatie voorgesteld.
4 Het eerste en het tweede middel
Over het eerste en het tweede middel kan ik kort zijn. Het eerste middel faalt, omdat het Hof het verweer van de raadsman dat het medeplegen enkel blijkt uit de verklaring van de verdachte zelf, niet had hoeven op te vatten als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv. Voor zover het tweede middel, dat de niet nader toegelichte klacht bevat dat het bewezenverklaarde medeplegen “naar [verdachte] meent” niet uit de bewijsmiddelen volgt, als een middel van cassatie kan worden aangemerkt, faalt het eveneens.
5 Het derde middel
Het middel klaagt dat het Hof ter zake van een vordering tot tenuitvoerlegging in plaats van een eerder aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken een taakstraf voor de duur van dertig uren met een subsidiaire straf van vijftien dagen hechtenis heeft gelast. Die subsidiaire straf van vijftien dagen zou zwaarder zijn dan de oorspronkelijke straf van twee weken omdat zij een vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt.
Over de vraag of de duur van de vervangende hechtenis in geval van toepassing van art. 14g lid 2 Sr wordt gemaximeerd door de duur van de vrijheidsstraf waarvan de tenuitvoerlegging wordt gelast, heb ik in de wetsgeschiedenis, de jurisprudentie en de literatuur niets van belang gevonden. Het uitgangspunt waarop het middel berust, namelijk dat de in het kader van een vordering tenuitvoerlegging te geven last de voorwaardelijk opgelegde straf niet mag verzwaren, komt mij juist voor. Een andere vraag is of in dit geval van een dergelijke verzwaring sprake is. Gelet op art. 61 lid 1 jo. art. 9 Sr zou ik die vraag ontkennend willen beantwoorden. Gevangenisstraf geldt, ongeacht de duur daarvan, als zwaarder dan (vervangende) hechtenis.
Deze formele benadering zal niet iedereen aanspreken. Ik merk daarom nog op dat ik me gevallen kan voorstellen waarin het verschil in duur tussen de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en de vervangende hechtenis die wordt gelast zo groot is, dat de gegeven last als onbegrijpelijk moet worden aangemerkt. Een dergelijk geval doet zich hier, nu het verschil niet meer dan een dag bedraagt, echter niet voor.
Het middel faalt.
6. De middelen falen. Het eerste en het tweede middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG