Strafrecht overig
Art. 326.1 Sv. Verzuim opmaken p-v, nietigheid ottz. O.g.v. de inhoud van de aan de HR toegezonden brief van…
ECLI:NL:PHR:2014:2445 · Parket bij de Hoge Raad · 4 november 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-2445
Zaakgegevens
Op 4 november 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 november 2014
- Datum publicatie
- 6 januari 2015
- Zaaknummer
- 13/03050
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:2445
Samenvatting
Art. 326.1 Sv. Verzuim opmaken p-v, nietigheid ottz. O.g.v. de inhoud van de aan de HR toegezonden brief van de griffier van het hof moet worden aangenomen dat verzuimd is een p-v op te maken. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ttz. en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 november 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:2445
Hoge Raad · 6 januari 2015
ECLI:NL:HR:2015:3Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 13/03050 Zitting: 4 november 2014 |
Mr. Knigge Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 2 februari 1996 verdachte wegens “poging tot doodslag, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. M. Berndsen, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het eerste middel
4.1. Het middel klaagt dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 1996 nietig is, nu het proces-verbaal van die zitting zich niet bij de stukken van het geding bevindt.
4.2. Blijkens het uittrekselarrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 februari 1996 is het arrest onder meer gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 1996.
4.3. De raadsman van verdachte heeft overeenkomstig het Procesreglement bij fax van 4 juli 2013 tijdig de rolraadsheer verzocht om alsnog in het bezit te worden gesteld van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 1996. Dit proces-verbaal bevindt zich niet bij de stukken van het geding. De griffier van het Hof heeft reeds direct na het instellen van het cassatieberoep (op 11 juni 2013) bij brief van 14 juni 2013 aan de Hoge Raad medegedeeld dat de aantekeningen van de griffier van hetgeen op 19 januari 1996 ter terechtzitting is voorgevallen niet in het dossier zitten en dat het derhalve niet mogelijk is het proces-verbaal van de zitting op te maken.
4.4. Op grond van het bericht van de griffier moet worden aangenomen dat verzuimd is een proces-verbaal van de terechtzitting op te maken en dat dit verzuim niet meer kan worden hersteld. Het verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en van het naar aanleiding daarvan gewezen arrest meebrengt.
4.5. Het middel slaagt. Het tweede middel, dat klaagt dat de aanvulling bewijsmiddelen zich niet bij de stukken bevindt, kan buiten bespreking blijven.
5. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG