Strafrecht overig
Strafoplegging. HR herstelt misslag van het ontbreken in het dictum van het arrest van het Hof tot het geven…
ECLI:NL:PHR:2014:2569 · Parket bij de Hoge Raad · 11 november 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-2569
Zaakgegevens
Op 11 november 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 november 2014
- Datum publicatie
- 13 januari 2015
- Zaaknummer
- 13/04607
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:2569
Samenvatting
Strafoplegging. HR herstelt misslag van het ontbreken in het dictum van het arrest van het Hof tot het geven van opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht en bieden van begeleiding a.b.i. art. 14d.2 Sr.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 november 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:2569
Hoge Raad · 13 januari 2015
ECLI:NL:HR:2015:63Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 13/04607 Zitting: 11 november 2014 |
Mr. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft bij arrest van 30 augustus 2013 de verdachte wegens primair “De voortgezette handeling van Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en verdachte dienaangaande een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald.
2. Namens verdachte heeft mr. I.P.J. Beerens, advocaat te De Meern beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het hof de strafoplegging ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat het hof heeft verzuimd een reclasseringsinstelling opdracht te geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden.
4. Blijkens zijn arrest heeft het hof de strafoplegging, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt gemotiveerd:
“Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden noodzakelijk is. Een gedeelte van deze straf, te weten 6 maanden, zal voorwaardelijk opgelegd worden om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Voorts zal daaraan als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht worden gekoppeld.”
5. Voorts houdt het dictum van het arrest, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder meer het volgende in:
“Het hof:
(…)
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of t.b.v. vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs a.b.i. art. 1 Wet o/d identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.”
6. In een arrest van 16 september 2014 overwoog de Hoge Raad in een (vrijwel) identiek geval als volgt:
“2.3. Gelet op de aan de voorwaardelijke veroordeling verbonden voorwaarden heeft het Hof kennelijk Reclassering Nederland opdracht willen geven het in art. 14d, tweede lid, Sr bedoelde toezicht te houden en de daar bedoelde begeleiding te bieden, maar heeft het verzuimd deze opdracht in het dictum van de bestreden uitspraak op te nemen. De Hoge Raad herstelt deze misslag en zal verstaan dat het Hof Reclassering Nederland deze opdracht heeft gegeven. Het middel klaagt weliswaar terecht over dit verzuim, maar kan dus niet tot cassatie leiden.”
7. Nu ik ook ambtshalve geen gronden voor cassatie heb aangetroffen strekt deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad verstaat dat het Hof Reclassering Nederland opdracht heeft gegeven toezicht te houden op de naleving van de in de bestreden uitspraak omschreven voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden en dat het beroep wordt verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG