Strafrecht overig
Verdachte n-o in h.b. Ex art. 449.1 Sv wordt h.b ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die…
ECLI:NL:PHR:2014:258 · Parket bij de Hoge Raad · 11 februari 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-258
Zaakgegevens
Op 11 februari 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 februari 2014
- Datum publicatie
- 8 april 2014
- Zaaknummer
- 13/02212
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:258
Samenvatting
Verdachte n-o in h.b. Ex art. 449.1 Sv wordt h.b ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven. Dit geldt ook indien het gaat om een verklaring, af te leggen door een daartoe door de raadsman van de verdachte schriftelijk gevolmachtigde griffiemedewerker. Die volmacht moet dan wel zijn verleend aan een medewerker van de griffie van het gerecht door hetwelk de beslissing waarvan beroep is gegeven. Het gaat hier, in ieder geval wat betreft een advocaat, niet om een onredelijke eis. Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof verdachte terecht n-o heeft verklaard in zijn h.b. op de grond dat dit beroep eerst na het verstrijken van de appeltermijn ter griffie van de juiste instantie is ingesteld. De enkele omstandigheid dat – naar is gesteld – de raadsman binnen die termijn een schriftelijke volmacht heeft verzonden naar de griffie van een ander gerecht, leidt dus niet tot een ander oordeel.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 11 februari 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:258
Hoge Raad · 8 april 2014
ECLI:NL:HR:2014:856
Conclusie
Nr. 13/02212
Mr. Vegter
Zitting 11 februari 2014
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof te Den Haag van 26 april 2013. Er is tijdig een schriftuur houdende een middel van cassatie ingekomen.
2. Het middel heeft betrekking op de volgende overweging van het Hof: “De verdachte is ter terechtzitting in eerste aanleg in persoon verschenen. De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het op 27 augustus 2012 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 13 september 2012 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.” Volgens het middel is de beslissing om verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd nu tijdig en wel op 10 september 2012 bij faxbericht de griffier bij het Hof ’s-Gravenhage is gemachtigd beroep in te stellen.
Van een administratieve vergissing bij de griffie van het Hof blijkt niet; evenmin blijkt dat de griffier van het Hof de gemachtigde advocaat pas na het verstrijken van de beroepstermijn op de hoogte heeft gesteld van diens vergissing. Wel blijkt dat de daartoe gemachtigde advocaat alsnog op 13 september 2012 naar de Rechtbank Den Haag een faxbericht heeft verzonden met een machtiging aan de griffier om beroep in te stellen. De beslissing van het Hof dat het beroep te laat is ingesteld is juist en toereikend gemotiveerd.
3. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie nu het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG