Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2014:267 · Parket bij de Hoge Raad · 18 maart 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-267
Zaakgegevens
Op 18 maart 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 18 maart 2014
- Datum publicatie
- 9 april 2014
- Zaaknummer
- 13/00727
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:267
Samenvatting
HR: art. 80a RO.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 maart 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:267
Hoge Raad · 8 april 2014
ECLI:NL:HR:2014:866Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 13/00727 Zitting: 18 maart 2014 |
Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2013. Namens verzoeker is tijdig een schriftuur houdende drie middelen van cassatie ingezonden.
2. Het tweede middel klaagt tevergeefs dat het Hof in zijn arrest zonder daartoe de redenen op te geven is afgeweken van het uitdrukkelijke onderbouwde standpunt van de verdediging dat de aangever en de getuigen op essentiële onderdelen niet eensluidend hebben verklaard omtrent het aantal maal dat verzoeker op de aangever zou hebben ingereden, de snelheid waarmee hij zou hebben gereden en tot welke afstand hij de aangever zou hebben genaderd. Het middel is een herhaling van hetgeen door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. Het Hof is daarop in zijn bewijsoverweging uitvoerig ingegaan. Anders dan de steller van het middel meent, is de bewezenverklaring naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed en is de motivering van het Hof niet onbegrijpelijk. Ook het derde middel klaagt tevergeefs dat het Hof zonder daartoe de redenen op te geven is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat indien een aanmerkelijke kans wordt aangenomen, deze aanmerkelijke kans niet ziet op het intreden van de dood. Beide middelen kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Dat betekent dat het eerste middel, dat enkel over schending van de redelijke termijn in cassatie klaagt, klaarblijkelijk niet voldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.
3. Op grond van het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG