Strafrecht overig

Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 11 februari 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11 februari 2014
Datum publicatie
9 april 2014
Zaaknummer
13/00222
ECLI
ECLI:NL:PHR:2014:269
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2012

    ECLI:NL:GHSHE:2012:2518
  2. Conclusie A-G · 11 februari 2014deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2014:269

  3. Hoge Raad · 8 april 2014

    ECLI:NL:HR:2014:868

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Conclusie

Nr. 13/00222

Zitting: 11 februari 2014

Mr. Vegter

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 4 april 2012 de verdachte wegens “Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

2. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 1] (12/01780) en [medeverdachte 2] (12/02024), waarin ik heden eveneens concludeer.

3. Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J.M. Stad, advocaat te Boxmeer, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel is kansloos, nu – anders dan de steller van het middel van mening is – aan de bewijsminimumregel zoals bedoeld in art. 342, tweede lid, Sv is voldaan. Het Hof heeft immers het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan geenszins uitsluitend aangenomen op de verklaring van één getuige, maar allereerst in het arrest een overweging aan het bewijs gewijd en blijkens de aanvulling op het arrest de volgende bewijsmiddelen gebruikt: verklaringen van verdachte (nrs. 26 en 27), verklaringen van getuigen (nrs. 11 en 28), verslagen van telefoongesprekken (nrs. 2 t/m 7, 12 t/m 15, 18, 20 t/m 22, 24, 25), weergave van sms-berichten (nrs. 16,17 en 23), een proces-verbaal bevindingen (nr. 19), een proces-verbaal van testen en wegen (nr. 10) en een proces-verbaal van observatie (nr. 8). Ook overigens heeft het Hof de bewezenverklaring uit de gebezigde bewijsmiddelen in combinatie met de in het arrest vervatte nadere bewijsoverweging kunnen afleiden.

5. Ook het tweede middel faalt, nu het Hof hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard geenszins behoefde op te vatten als een zogenaamd Meer en Vaart-verweer (dan wel enig ander uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv). De verdachte heeft immers niet een met de bewezenverklaring onverenigbare, maar door de bewijsmiddelen niet uitgesloten alternatief scenario naar voren gebracht, maar slecht een mogelijkheid geopperd (“Misschien moest ik toen een auto-onderdeel ophalen”).

6. Het derde middel faalt eveneens, nu het Hof de in het middel bedoelde verklaring van de verdachte geenszins heeft gedenatureerd. Dat de verdachte zich niet meer kan herinneren waarom hij op 6 november 2008 voor [betrokkene 1] bij [betrokkene 2] is geweest, maakt niet dat het Hof aan bedoelde verklaring een wezenlijk andere betekenis heeft toegekend. Daar komt bij dat bedoelde verklaring in ieder geval in zoverre redengevend voor het bewijs is, dat de verdachte beide bedoelde personen kende en op de bewezenverklaarde datum voor de één bij de ander is geweest.

7. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

De onderhavige zaak hangt eveneens samen met de zaak tegen [medeverdachte 3] (13/00223) waarin de Hoge Raad bij arrest van 2 april 2013 de uitspraak van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank heeft vernietigd en de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging wegens het overlijden van de verdachte op 11 november 2012.