Strafrecht overig
Conclusie · Parket bij de Hoge Raad · Strafrecht overig
ECLI:NL:PHR:2014:2711 · Parket bij de Hoge Raad · 16 december 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2014-2711
Zaakgegevens
Op 16 december 2014 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 december 2014
- Datum publicatie
- 20 januari 2015
- Zaaknummer
- 14/03437
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2014:2711
Samenvatting
HR: art. 80a RO.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 7 oktober 2013
ECLI:NL:GHAMS:2013:3199Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 december 2014deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2014:2711
Hoge Raad · 20 januari 2015
ECLI:NL:HR:2015:100Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 14/03437 Zitting: 16 december 2014 Bestreden arrest: Gerechtshof te Amsterdam d.d. 7 oktober 2013 |
Mr. Aben Standpunt inzake: [verdachte] |
Het middel klaagt over de strafmotivering. Het hof heeft de verdachte voor doodslag en poging doodslag veroordeeld (tot een gevangenisstraf voor de duur van 19 jaren) en de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde moord en poging moord. In eerste aanleg is de verdachte voor moord en poging moord veroordeeld (tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren).
De klacht in cassatie komt erop neer dat de strafoplegging onbegrijpelijk is, nu het hof de verdachte enerzijds heeft vrijgesproken van moord en poging moord en het hof anderzijds in zijn strafmotivering uitgaat van feiten en omstandigheden waarvan de verdachte – blijkens ’s hofs motivering van die vrijspraak – “geen rekenschap heeft kunnen geven”.
Mijns inziens haalt de steller van het middel de leerstukken opzet en voorbedachten raad door elkaar. ‘s Hofs vaststelling in de strafmotivering dat de verdachte “zonder mededogen op gewelddadige wijze met een mes heeft ingestoken op een weerloze, hoogzwangere vrouw die zich over haar dochter wilde ontfermen” is niet in strijd is met ’s hofs oordeel dat “niet is komen vast te staan dat de verdachte vanaf het moment dat hij zijn ex-echtgenote en [betrokkene] zag voldoende tijd had om zich te beraden omtrent zijn handelen en dat niet valt uit te sluiten dat de besluitvorming om op hen in te steken in plotselinge drift plaatsvond”. Dat onvoldoende vaststaat dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van het steken en zich daarvan rekenschap te geven en dat hij mogelijk in plotselinge drift heeft gehandeld, staat er immers niet aan in de weg dat hij – zoals is bewezenverklaard, opzettelijk – “doelbewust en gericht” – met een mes op de slachtoffers heeft ingestoken. Het middel faalt.
Het middel kan worden afgedaan op de voet van artikel 80a RO.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
n.d.