Strafrecht overig
Niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep wegens het niet tijdig door een raadsman…
Parket bij de Hoge Raad, 12 mei 2015
ECLI:NL:PHR:2015:1007 · Parket bij de Hoge Raad · 12 mei 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2015-1007
Zaakgegevens
Op 12 mei 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 mei 2015
- Datum publicatie
- 7 juli 2015
- Zaaknummer
- 13/05871
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2015:1007
Samenvatting
Niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep wegens het niet tijdig door een raadsman indienen van een schriftuur houdende middelen van cassatie.
Procesgang
Uitspraak · 2013
ECLI:NL:GHDHA:2013:4371Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 mei 2015deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2015:1007
Hoge Raad · 7 juli 2015
ECLI:NL:HR:2015:1788Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 13/05871 Zitting: 12 mei 2015 |
Mr. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof te Den Haag, heeft bij arrest van 14 november 2013 de verdachte wegens “Een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, door een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien weken, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (13/05945), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
3. Namens verdachte heeft mr. H. Faouzi, advocaat te Zoetermeer, op 27 november 2013 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 4 november 2014 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG