Strafrecht overig

Antilliaanse zaak. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 14/01796, 14/03171 en 14/03173.

Zaakgegevens

Op 2 juni 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
2 juni 2015
Datum publicatie
9 juli 2015
Zaaknummer
14/03174
ECLI
ECLI:NL:PHR:2015:1035
E-mail

Samenvatting

Antilliaanse zaak. Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 14/01796, 14/03171 en 14/03173.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 2 juni 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2015:1035

  2. Hoge Raad · 7 juli 2015

    ECLI:NL:HR:2015:1798

    Conclusie gevolgd

Conclusie

Nr. 14/03174

Zitting: 2 juni 2015

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Verdachte is bij arrest van 20 december 2013 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens 1. “medeplegen van voorbereiding van het misdrijf moord waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld” 2. “overtreding van een bij artikel 3 van de Vuurwapenverordening 1930 gesteld verbod” en (II)1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en negen maanden, met aftrek van het voorarrest. Tevens is beslist over het beslag.

  2. Er bestaat samenhang tussen de zaken 14/01796, 14/03171 en 14/03173. In deze zaken zal ik vandaag eveneens concluderen.

  3. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld op 7 januari 2014.

  4. Op 5 oktober 2014 is de aanzegging aan de verdachte in persoon uitgereikt, waarbij hem een termijn van zestig dagen is gesteld voor het doen indienen van de cassatieschriftuur. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.

  5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG