Strafrecht overig
Art. 437.2 Sv. Verdachte wordt n-o verklaard, nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn door…
Parket bij de Hoge Raad, 17 februari 2015
ECLI:NL:PHR:2015:350 · Parket bij de Hoge Raad · 17 februari 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2015-350
Zaakgegevens
Op 17 februari 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 februari 2015
- Datum publicatie
- 31 maart 2015
- Zaaknummer
- 13/02812
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2015:350
Samenvatting
Art. 437.2 Sv. Verdachte wordt n-o verklaard, nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 17 februari 2015deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2015:350
Hoge Raad · 31 maart 2015
ECLI:NL:HR:2015:773Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 13/02812 Zitting: 17 februari 2015 |
Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft bij arrest van 5 juni 2013 de verdachte ter zake van “medeplegen van witwassen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof het in beslag genomen voorwerp, te weten een geldbedrag van € 10.000,- verbeurd verklaard.
2. Deze zaak hangt samen met zaaknummer 13/02808. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.
4. De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 3 september 2013 aan de verdachte in persoon betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 4 november 2013. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG