Strafrecht overig

Profijtontneming. Redelijke termijnoverschrijding in h.b. De bestreden uitspraak houdt niet een beslissing in…

Zaakgegevens

Op 3 maart 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
3 maart 2015
Datum publicatie
14 april 2015
Zaaknummer
13/02122
ECLI
ECLI:NL:PHR:2015:429
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Profijtontneming. Redelijke termijnoverschrijding in h.b. De bestreden uitspraak houdt niet een beslissing in op een namens verdachte gevoerd verweer m.b.t. de redelijke termijn. Gelet op de door de HR gegeven strafvermindering wegens de redelijke termijnoverschrijding in h.b. in de gelijktijdig berechte hoofdzaak, is er i.c. geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden.

Procesgang

  1. Uitspraak · 2013

    ECLI:NL:GHAMS:2013:3636
  2. Conclusie A-G · 3 maart 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2015:429

  3. Hoge Raad · 14 april 2015

    ECLI:NL:HR:2015:946

    Conclusie gevolgd · Bekrachtiging/bevestiging

Conclusie

Nr. 13/02122 P

Zitting: 3 maart 2015

(bij vervroeging)

Mr. Hofstee

Conclusie inzake:

M. Özkan

1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 8 april 2013 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 3.449,94 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de rolnummers 13/02122P, 13/02123 en 13/02111. In alle zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens de betrokkene heeft mr. D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het Hof niet heeft gereageerd op het verweer van de verdediging dat de redelijke termijn in de fase van berechting in appel is overschreden.

5. Het middel is gelijkluidend aan het vierde middel in de schriftuur die is ingediend in de samenhangende hoofdzaak tegen de betrokkene (rolnummer 13/02123). Wat betreft die hoofdzaak heb ik geconcludeerd dat de eerste drie middelen falen maar het vierde middel slaagt en dat de Hoge Raad in dat verband om doelmatigheidsredenen kan doen wat het Hof had behoren te doen, te weten de door het Hof opgelegde straf te matigen naar de gebruikelijke maatstaf.

6. Ook in de onderhavige ontnemingszaak heeft de raadsman van de betrokkene met een beroep op art. 6, eerste lid, EVRM verweer gevoerd inzake de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, omdat de zaak langer dan twee jaren aanhangig is geweest bij het Hof. Op een dergelijk verweer had het Hof moeten reageren. Ten onrechte heeft het Hof dat verzuimd.

7. Ik meen dat het onderhavige geval gelijk kan worden gesteld aan de situatie waarin de redelijke termijn in cassatie in zowel de hoofdzaak als in de ontnemingszaak is overschreden. De Hoge Raad pleegt dan de korting enkel in de hoofdzaak toe te passen, indien de aard en de hoogte van de opgelegde straf daartoe aanleiding geven, en in de ontnemingszaak hooguit te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden.

7. Maar zelfs als dat in een geval als het onderhavige anders zou zijn, behoeft het middel niet tot cassatie te leiden. Ook dan kan de Hoge Raad de ontnemingsuitspraak van het Hof vernietigen en vervolgens uit oogpunt van doelmatigheid doen wat het Hof had behoren te doen en dus aan de hand van de daarvoor geldende maatstaf zelf komen tot vermindering van de hoogte van het ontnemingsbedrag.

8. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Daarvoor is overigens geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt nodig. Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis (rov. 3.6.3 en 3.12.2).