Strafrecht overig

Uitlevering, Antilliaanse zaak. Het Hof heeft bij zijn oordeel dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar…

Parket bij de Hoge Raad, 20 januari 2015

Zaakgegevens

Op 20 januari 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20 januari 2015
Datum publicatie
10 februari 2015
Zaaknummer
14/01393
ECLI
ECLI:NL:PHR:2015:44
E-mail

Samenvatting

Uitlevering, Antilliaanse zaak. Het Hof heeft bij zijn oordeel dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard mede tot uitgangspunt genomen dat “de litigieuze bewijsmiddelen” “via een mogelijk proces in de Verenigde Staten” zouden kunnen worden gebruikt. Daarmee heeft het Hof miskend dat aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring t.b.v. de strafzaak in de verzoekende staat (ECLI:NL:HR:2011:AB3324, NJ 2001/618).

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 20 januari 2015deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2015:44

  2. Hoge Raad · 10 februari 2015

    ECLI:NL:HR:2015:271

    Conclusie gevolgd

Conclusie

Nr. 14/01393 UA

Zitting: 20 januari 2015

Mr. Aben

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft bij advies van 6 februari 2014 geoordeeld dat de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika niet toelaatbaar is. Het Hof heeft de gouverneur van Curaçao geadviseerd om het verzoek tot uitlevering af te wijzen.

2. De advocaat-generaal bij het Gemeenschappelijk Hof heeft zich tijdig voorzien van beroep in cassatie, en hij heeft tijdig een schriftuur ingediend houdende één middel van cassatie. Namens de opgeëiste persoon heeft mw. mr. C. Reijntjes-Wendenburg het middel van cassatie tegengesproken.

3. Deze Antilliaanse uitleveringszaak hangt samen met de zaak van [betrokkene 1], 14/01270 UA, en van [betrokkene 2], 14/01276, waarin ik op 11 november 2014 reeds heb geconcludeerd. Uw Raad heeft bij arresten van 9 december 2014 het in die zaken bestreden advies van het Gemeenschappelijk Hof vernietigd.

4. Het advies van het Gemeenschappelijk Hof d.d. 6 februari 2014, het middel en de toelichting in de cassatieschriftuur van 13 maart 2014, alsook de schriftuur houdende tegenspraak van 24 juli 2014 in de voorliggende zaak zijn mutatis mutandis gelijkluidend aan die in de reeds door uw Raad berechte zaken.

5. De reden dat ik in deze drie zaken niet gelijktijdig heb geconcludeerd was gelegen in het ontbreken van de betekening van de aanzegging van het cassatieberoep van het openbaar ministerie, terwijl op dat moment voor uw griffie en voor mij onduidelijk was wanneer in die betekening zou (kunnen) worden voorzien. Thans is die akte van betekening (in persoon) op uw griffie ontvangen. Daaruit blijkt overigens dat die betekening reeds op 9 oktober 2014 heeft plaatsgehad.

6. Vanwege het identieke karakter van de drie zaken meen ik thans te kunnen volstaan met te verwijzen naar mijn gelijkluidende conclusies in de met de onderhavige zaak samenhangende zaken, alsook naar de in die zaken van uw hand gewezen arresten.

7. Op de gronden als vermeld in de conclusies in de zaken van [betrokkene 1], 14/01270 UA, en van [betrokkene 2], 14/01276, slaagt het middel.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden advies. Nu een verdere afdoening van de zaak niet mogelijk is zonder te treden in een beoordeling van de feiten, strekt deze conclusie er tevens toe dat de zaak wordt teruggewezen naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba teneinde op het bestaande uitleveringsverzoek opnieuw te worden afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG