Strafrecht overig
Noodweer. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BM7508 m.b.t. het feit dat van een…
ECLI:NL:PHR:2015:606 · Parket bij de Hoge Raad · 14 april 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2015-606
Zaakgegevens
Op 14 april 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 april 2015
- Datum publicatie
- 19 mei 2015
- Zaaknummer
- 13/02746
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2015:606
Samenvatting
Noodweer. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BM7508 m.b.t. het feit dat van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet kan worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Het Hof heeft het beroep op noodweer verworpen, omdat naar diens oordeel voor verdachte de reële mogelijkheid bestond om, nadat het eerdere conflict met het latere slachtoffer was beëindigd, weg te gaan en zich te onttrekken aan verder agressief gedrag van het latere slachtoffer. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de situatie voorafgaand aan het incident (waarbij zowel door verdachte als door het latere slachtoffer is geschoten), welke vaststellingen inhouden dat buiten het partycentrum sprake was van een ruzie waarbij onder meer verdachte en het latere slachtoffer waren betrokken, dat verdachte na afloop van die ruzie samen met een ander naar zijn auto is gelopen, dat verdachte vervolgens is teruggelopen in de richting van het partycentrum en bij de auto van een derde is gaan staan en dat het slachtoffer vervolgens in de richting van verdachte is gelopen, daarbij verbaal tekeer ging en een wapen bij zich had. De HR neemt bij zijn oordeel voorts in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat het eerdere conflict met het slachtoffer was beëindigd, dat het slachtoffer zelf, terwijl verdachte zich eerst naar zijn auto en vervolgens naar de auto van een derde had begeven, in de richting van verdachte is gelopen en dat uit ’s Hofs vaststellingen niet zonder meer volgt dat verdachte reeds op het moment dat hij naar zijn auto liep, wist dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich droeg. Tegen die achtergrond is niet begrijpelijk het kennelijke oordeel van het Hof dat sprake was van een dreigende aanranding waaraan verdachte zich had moeten onttrekken. Conclusie AG: anders.
Procesgang
Uitspraak · 2013
ECLI:NL:GHDHA:2013:3049Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 10 februari 2015
ECLI:NL:PHR:2015:444Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 14 april 2015deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2015:606
Hoge Raad · 19 mei 2015
ECLI:NL:HR:2015:1243Conclusie contrairGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzenVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 13/02746 Zitting: 14 april 2015 |
Mr. Hofstee Aanvullende conclusie inzake: [verdachte] |
1. Op 10 februari 2015 heb ik geconcludeerd dat het derde middel dat namens verzoeker is voorgesteld, te weten dat het Hof in het arrest noch in een aanvulling op het arrest de bewijsmiddelen heeft opgenomen waarop de bewezenverklaring is gestoeld, faalt omdat de raadsman geen verzoek bij de rolraadsheer heeft ingediend om aanvulling van de stukken, waardoor de raadsman niet de weg heeft bewandeld die staat beschreven in art. IV.3 van het Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad 2013.
2. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2011:BN7088 blijkt echter dat ook een faxbericht aan de strafgriffie van de Hoge Raad waarin om aanvulling van processtukken wordt verzocht, als een verzoek aan de rolraadsheer moet worden aangemerkt.
3. De rolraadsheer heeft alsnog de aanvulling bewijsmiddelen opgevraagd bij het Hof. Van de eerder opgemaakte aanvulling bewijsmiddelen is een nieuwe uitdraai gemaakt, welke is ondertekend door de voorzitter en is gezonden aan de Hoge Raad. Vervolgens is een nadere termijn verleend teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen om - na kennisneming van de aanvulling bewijsmiddelen - de eerder door hem ingediende schriftuur te wijzigen of aan te vullen dan wel één of meer middelen in te trekken. Deze termijn is verstreken zonder dat de raadsman van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt.
4. Op grond van het voorgaande meen ik thans dat het middel feitelijke grondslag mist en om die reden niet tot cassatie kan leiden.
5. Voor het overige handhaaf ik mijn conclusie van 10 februari 2015.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG