Strafrecht overig
Afschrift stukken: heeft zich een raadsman gesteld (art. 51 Sv)? Het p-v van de tz. van het Hof houdt o.m. in…
Parket bij de Hoge Raad, 31 maart 2015
ECLI:NL:PHR:2015:799 · Parket bij de Hoge Raad · 31 maart 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2015-799
Zaakgegevens
Op 31 maart 2015 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 maart 2015
- Datum publicatie
- 2 juni 2015
- Zaaknummer
- 14/02182
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2015:799
Samenvatting
Afschrift stukken: heeft zich een raadsman gesteld (art. 51 Sv)? Het p-v van de tz. van het Hof houdt o.m. in “Naar aanleiding van het door de raadsman van verdachte […] bij brief van 15 januari 2013 gedaan verzoek schorst het hof […] het onderzoek voor onbepaalde tijd […] met bevel tot oproeping van verdachte […] en met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsman van verdachte”. Hieruit volgt dat het Hof ermee bekend was dat zich een raadsman voor verdachte had gesteld. De niet-nakoming van het in art. 51.2 Sv vervatte voorschrift moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van verdachte en diens raadsman in de weg te staan. Volgt vernietiging.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 31 maart 2015deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2015:799
Hoge Raad · 2 juni 2015
ECLI:NL:HR:2015:1453Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 14/02182 Zitting: 31 maart 2015 |
Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [verdachte] |
-
Verdachte is bij arrest van 26 september 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 13 februari 2012 waarbij hij, bij verstek, wegens feit 1 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” en feit 2 subsidiair “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, was veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren te vervangen door 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uren en 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en waarbij de Politierechter tevens de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen tot een bedrag van € 249,- in combinatie met de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr te vervangen door 4 dagen hechtenis.
-
Mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte een middel van cassatie voorgesteld.
-
Het middel klaagt dat het hof heeft nagelaten te onderzoeken of de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep rechtsgeldig aan de verdachte was uitgereikt en ten onrechte de zaak inhoudelijk heeft behandeld terwijl geen afschrift van die oproeping aan de raadsman van de verdachte is gestuurd. Ik begin met de klacht dat het hof heeft nagelaten te onderzoeken of de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep rechtsgeldig aan de verdachte is uitgereikt.
-
Bij de stukken bevindt zich de akte uitreiking van de oproeping van verdachte in hoger beroep voor de terechtzitting van 26 september 2013. De akte houdt in dat de koerier PostNL de brief “op 5 juli 2013 te [a-straat 1] Amsterdam omdat de geadresseerde niet werd aangetroffen op het door mij ingevulde adres, [heeft] uitgereikt aan [betrokkene] die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen.” Aan de akte is gehecht een “ID-staat SKDB” waaruit blijkt dat de oproeping is uitgereikt op het GBA-adres van de verdachte zodat de oproeping is uitgereikt zoals dat is voorgeschreven in artikel 588 lid 3 onder a Sv.
-
In het arrest van het hof ligt besloten dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep rechtsgeldig is uitgereikt. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Dit onderdeel van het middel faalt.
-
Uit de oproeping blijkt niet dat deze is uitgereikt aan een raadsman. Het gedeelte achter “Afschrift aan raadsman verstrekt op:” is niet ingevuld. De vraag is echter of zich in hoger beroep een raadsman had gesteld. Bij de stukken heb ik geen stelbrief van een raadsman in hoger beroep aangetroffen. Wel blijkt dat mr. F.N. Dijkers, advocaat te Amsterdam, op de dag van de terechtzitting van het hof van 15 januari 2013 telefonisch contact heeft opgenomen met de bode in verband met door hem wegens sneeuwval opgelopen vertraging om ter terechtzitting aanwezig te kunnen zijn. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 januari 2013 kan worden opgemaakt dat het hof ermee bekend was dat voor de verdachte een raadsman zou optreden:
“Naar aanleiding van het door de raadsman van verdachte, mr F.M. Dijkers, bij brief van 15 januari 2013 gedaan verzoek schorst het hof, gehoord de advocaat-generaal, het onderzoek voor onbepaalde tijd in het belang van de verdediging, met bevel tot oproeping van verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip en met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsman van verdachte, alsmede met kennisgeving van dat tijdstip aan de benadeelde partij.”
7. Nu het hof mr. Dijkers heeft aangemerkt als de raadsman van de verdachte, had aan hem een afschrift van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep moeten worden gestuurd, zoals het hof overigens ook ter terechtzitting van 15 januari 2003 had beslist.
8. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 26 september 2013 blijkt dat daar noch de verdachte noch diens raadsman zijn verschenen.
9. Uit de hierboven uiteengezette feiten vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 17 april 2002 het voorschrift dat is gegeven in artikel 51 lid 2 Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van een zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsman in de weg te staan.
10. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.
11. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, ten einde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG