Strafrecht overig
Verklaring raadsman medeverdachte geen wettig bewijsmiddel. Art. 339.1 Sv. Gegronde klacht dat het hof t.t.z…
ECLI:NL:PHR:2016:1151 · Parket bij de Hoge Raad · 4 oktober 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2016-1151
Zaakgegevens
Op 4 oktober 2016 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 oktober 2016
- Datum publicatie
- 22 november 2016
- Zaaknummer
- 14/05238
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2016:1151
Samenvatting
Verklaring raadsman medeverdachte geen wettig bewijsmiddel. Art. 339.1 Sv. Gegronde klacht dat het hof t.t.z. gedane mededeling van raadsman van medeverdachte niet als bewijsmiddel in zaak verdachte had mogen aanmerken. Dat de medeverdachte geen afstand heeft genomen van de verklaring van zijn gemachtigd raadsman, maakt dat niet anders. De klacht dat niet de inhoud van een bewijsmiddel is weergegeven slaagt o.g.v. art. 359.3 Sv eveneens. CAG: anders.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 4 oktober 2016deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2016:1151
Hoge Raad · 22 november 2016
ECLI:NL:HR:2016:2649Conclusie contrairGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 14/05238 Zitting: 4 oktober 2016 |
Mr. E.J. Hofstee Standpunt/conclusie inzake: [verdachte] |
-
Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2014.
-
Tegen deze uitspraak is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld.
-
Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft tijdig twee middelen van cassatie namens de verdachte voorgesteld.
-
Er bestaat samenhang met de zaken 14/05232P, 15/00780 en 15/00784P. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen.
-
Onder verwijzing naar HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 meen ik dat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en/of de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Wat betreft het eerste middel merk ik nog op dat het feitelijke grondslag mist; niet de ‘verklaring’ van de raadsman wordt voor het bewijs gebruikt, maar de verklaring van de medeverdachte, die iets heeft gezegd op een vraag van de advocaat-generaal bij het hof (zie arrest, blad 7). Bovendien is dit aspect van ondergeschikt belang, gelet op de bewijsconstructie voor het overige.
-
Ik stel mij daarom op het standpunt dat het beroep in cassatie met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG