Strafrecht overig
Herziening. De bij de aanvraag gevoegde brief van de Divisie Registratie en Informatie geeft steun aan de…
ECLI:NL:PHR:2016:127 · Parket bij de Hoge Raad · 26 januari 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2016-127
Zaakgegevens
Op 26 januari 2016 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 26 januari 2016
- Datum publicatie
- 22 maart 2016
- Zaaknummer
- 15/02633
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2016:127
Samenvatting
Herziening. De bij de aanvraag gevoegde brief van de Divisie Registratie en Informatie geeft steun aan de stelling waarop de aanvraag berust, t.w. dat de aanvrager ten tijde van de overtreding waarop de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd betrekking heeft, beschikte over een geldig rijbewijs. Dit gegeven levert het ernstige vermoeden op dat de Kantonrechter, ware deze daarmee bekend geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 26 januari 2016deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2016:127
Hoge Raad · 22 maart 2016
ECLI:NL:HR:2016:462Conclusie contrairGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 15/02633 Zitting: 26 januari 2016 |
Mr. Vellinga Conclusie inzake: [aanvrager]. |
1. Aanvrager van herziening is door de kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam bij onherroepelijk vonnis van 17 juni 2004 wegens “overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994”, gepleegd op 23 maart 2003, veroordeeld tot een geldboete van € 210,00, subsidiair 4 dagen hechtenis.
2. Namens de aanvrager heeft mr. P. Scholte, advocaat te Amsterdam, een aanvraag tot herziening van dit vonnis ingediend.
3. De aanvraag berust op de stelling dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit beschikte over een geldig rijbewijs.
4. Ter staving van de aanvraag zijn daarbij gevoegd een brief van de RDW, divisie registratie en informatie d.d. 23 augustus 2013, onder meer inhoudende:
“[aanvrager] geboren op: [geboortedatum]-1978 te: Dordrecht staat geregistreerd in het Centraal Rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister (CRB) met een Nederlands rijbewijs dat is afgegeven door de Burgemeester van de gemeente Dordrecht op: 02-04-2009 met het nummer: [001].
Cat. Eerste afgifte Geldig tot Beperkende bepalingen
AM 02-04-2009 02-04-2019
B 06-01-1999 02-04-2019”
alsmede een Uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 17 april 2011 ten name van aanvrager. Dit uittreksel vermeldt onder meer dat aanvrager meermalen ter zake van overtreding van art. 107 lid 1 WVW 1994 ten onrechte als verdachte is aangemerkt.
5. Art. 107 lid 1 WVW 1994 luidt:
“Aan de bestuurder van een motorrijtuig op de weg dient door de daartoe bevoegde autoriteit een rijbewijs te zijn afgegeven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie waartoe dat motorrijtuig behoort.”
6. De omstandigheid dat aanvrager, zoals hij blijkens de hiervoor aangehaalde brief van 23 augustus 2013 kennelijk wil stellen, ten tijde van de bewezenverklaarde overtreding beschikte over een rijbewijs B, sluit niet uit dat hij op 23 maart 2003 een motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij niet over een rijbewijs beschikte van de categorie waartoe het door hem bestuurde motorrijtuig behoorde. Hij kan bijvoorbeeld een motorrijtuig hebben bestuurd waarvan de toegestane maximum massa meer bedroeg dan 3500 kg dan wel met het door hem bestuurde motorrijtuig een aanhangwagen hebben voortbewogen waarvan de toegestane maximum massa meer bedroeg dan 750 kg (vgl. art. 15 Reglement rijbewijzen).
7. Uit het voorgaande volgt dat uit de door aanvrager genoemde omstandigheid niet het ernstige vermoeden voortvloeit dat de kantonrechter, zou hij daarmee bekend zijn geweest, de aanvrager zou hebben vrijgesproken van hetgeen ten laste van hem is bewezenverklaard.
8. De aanvraag is derhalve ongegrond.
9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag ongegrond zal verklaren.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG