Strafrecht overig
Klacht over denatureren verklaring getuige. HR: art. 80a RO. Samenhang met 15/04378.
Parket bij de Hoge Raad, 8 november 2016
ECLI:NL:PHR:2016:1271 · Parket bij de Hoge Raad · 8 november 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2016-1271
Zaakgegevens
Op 8 november 2016 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 november 2016
- Datum publicatie
- 19 december 2016
- Zaaknummer
- 15/04866
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2016:1271
Samenvatting
Klacht over denatureren verklaring getuige. HR: art. 80a RO. Samenhang met 15/04378.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 8 november 2016deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2016:1271
Hoge Raad · 20 december 2016
ECLI:NL:HR:2016:2896Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 15/04866 Zitting: 8 november 2016 |
Mr. A.E. Harteveld Conclusie inzake: [verdachte] |
-
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 1 september 2015 het promisvonnis van de rechtbank Noord-Holland van 28 april 2014 bevestigd, met aanvulling van een beslissing op een in hoger beroep gevoerd verweer. Bij dat vonnis was de verdachte wegens “mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het vonnis vermeld.
-
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.R. Koenders, advocaat te Amsterdam, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
-
Het middel
3.1. Het middel klaagt dat het bewijs voor het knijpen in de hals van aangeefster [betrokkene] mede is gebaseerd op de gedenatureerde verklaring van de getuige [getuige]. Het hof heeft immers voor het bewijs slechts een selectief gedeelte uit die getuigenverklaring gebezigd, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
3.2. Het middel miskent dat het het hof vrij stond, gelet op de aan hem als feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal, om een gedeelte van de verklaring van de getuige [getuige], voor zover dat naar zijn oordeel geloofwaardig en relevant is, voor het bewijs te gebruiken en andere delen van die verklaring buiten beschouwing te laten. Kennelijk heeft het hof de verklaring van [getuige] niet geloofwaardig geacht, voor zover inhoudende dat ook de mogelijkheid bestond dat verdachtes linkerhand zich in de buurt van de bovenkant van de borst van de aangeefster bevond en dat de getuige heeft gezien dat de verdachte niet de keel van de aangeefster heeft dichtgeknepen. Het hof heeft om die reden die passages uit de verklaring van [getuige] niet voor het bewijs gebruikt. Het gedeelte van de verklaring van de getuige [getuige] dat als bewijsmiddel is opgenomen, onder meer inhoudende dat de linkerhand van de verdachte in de buurt van de keel van de aangeefster is geweest, heeft door weglating van de door de steller van het middel genoemde passages mijns inziens geen andere betekenis gekregen dan zij in het verband van de gehele verklaring had. Van denaturering van de verklaring van de getuige [getuige] door het Hof is dan ook geen sprake.
3.3. Bovendien vindt de lezing van de aangeefster [betrokkene] voor zover inhoudende dat de verdachte in haar keel heeft geknepen niet alleen steun in de getuigenverklaring van [getuige], zoals de steller van het middel doet voorkomen, maar ook in de overige gebruikte bewijsmiddelen. Zo heeft de verdachte op 5 mei 2012, toen de verbalisanten naar aanleiding van een melding bij de woning van de aangeefster arriveerden, gezegd dat hij fout was geweest en dat hij had geprobeerd zijn ex te wurgen. In de geneeskundige verklaring van 7 mei 2012 opgemaakt door de arts Riepma is te lezen dat een bloeduitstorting in de hals van aangeefster is waargenomen. Uit ‘s hofs bevestigde bewijsvoering kan dus worden afgeleid dat de verdachte (onder meer) de aangeefster de keel heeft dichtgeknepen. Het voorgaande brengt mee dat de bewezenverklaring naar de eis der wet met redenen is omkleed.
Het middel is evident tevergeefs voorgesteld.
4. Het middel rechtvaardigt derhalve geen behandeling in cassatie.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG