Strafrecht overig

Met 15/02726 P, 15/02727 en 15/02729 P samenhangende peek (verdachte n-o in cassatieberoep, geen middelen…

Parket bij de Hoge Raad, 15 november 2016

Zaakgegevens

Op 15 november 2016 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15 november 2016
Datum publicatie
20 december 2016
Zaaknummer
15/02724
ECLI
ECLI:NL:PHR:2016:1280
E-mail

Samenvatting

Met 15/02726 P, 15/02727 en 15/02729 P samenhangende peek (verdachte n-o in cassatieberoep, geen middelen ingediend).

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 15 november 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2016:1280

  2. Hoge Raad · 20 december 2016

    ECLI:NL:HR:2016:2912

    Conclusie gevolgd

Conclusie

Nr. 15/02724

Zitting: 15 november 2016

Mr. F.W. Bleichrodt

Conclusie inzake:

[verdachte]

  1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 1 juni 2015 de verdachte wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van 75 uren, subsidiair 37 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.

  2. Deze strafzaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (15/02726 P) en met de strafzaak (nr. 15/02727) en de ontnemingszaak (nr. 15/02729 P) tegen de medeverdachte [medeverdachte], waarin ik vandaag eveneens concludeer.

  3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.

  4. De aanzegging in cassatie is op 14 december 2015 tevergeefs aangeboden aan het GBA-adres van de verdachte. Vervolgens is de aanzegging - na niet te zijn afgehaald op het postkantoor - op 30 december 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Den Haag. Daarbij is voldaan aan de vijf-dagentermijn in de zin van art. 588, derde lid, onder c, Sv. Voorts is op 30 december 2015 een afschrift van de aanzegging verzonden naar het GBA-adres van de verdachte. Het in de cassatie-akte vermelde adres van de verdachte komt overeen met diens GBA-adres. Bovendien is zowel op 30 december 2015 als op 1 februari 2016 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsvrouwe van de verdachte. Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1°, Sv, in verbinding met art. 588, derde lid, onder c, Sv, rechtsgeldig betekend.

5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Sinds 6 januari 2014 is de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) vervangen door de basisregistratie personen (BRP). De eerste mededeling betekening is verzonden naar mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede, terwijl de tweede mededeling betekening is verzonden naar mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te Den Haag, die de zaak in cassatie heeft overgenomen van mr. Frerix. Bij faxbericht van 25 februari 2016 heeft een kantoorgenoot van mr. Van der Hut (mr. E.M. Witjens) meegedeeld dat hij in deze zaak geen middelen van cassatie zal indienen.