Strafrecht overig
Geen middelen ingediend, verdachte n-o.
Parket bij de Hoge Raad, 16 februari 2016
ECLI:NL:PHR:2016:213 · Parket bij de Hoge Raad · 16 februari 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2016-213
Zaakgegevens
Op 16 februari 2016 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 16 februari 2016
- Datum publicatie
- 12 april 2016
- Zaaknummer
- 15/01212
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2016:213
Samenvatting
Geen middelen ingediend, verdachte n-o.
Procesgang
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 februari 2016deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2016:213
Hoge Raad · 12 april 2016
ECLI:NL:HR:2016:623Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 15/01212 Zitting: 16 februari 2016 |
Mr. F.W. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 6 september 2013 de verdachte met toepassing van art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 20 maart 2013, waarbij de verdachte wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod” en 2. “diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” is veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
2. Deze zaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (nr. 15/01215 P), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
4. De aanzegging in cassatie is op 30 april 2015 tevergeefs aangeboden op het in de cassatie-akte vermelde adres van de verdachte ( [a-straat 1] in Utrecht ) en vervolgens - na niet te zijn afgehaald op het postkantoor - uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank Den Haag, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Op 21 mei 2015 is een afschrift van de aanzegging verzonden naar het in de cassatie-akte vermelde adres van de verdachte. Op diezelfde datum is de aanzegging als gewone brief verzonden naar het adres van de verdachte in Bulgarije ( [b-straat 1] in Plovdiv ). Bij die aanzegging is een schriftelijke vertaling van (de essentie van) de aanzegging in (onder meer) de Bulgaarse taal gevoegd. Daarbij is voldaan aan de zogenoemde VIP-controle. De ID-staat SKDB betreffende de verdachte van 21 mei 2015 houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd, dat hij niet in de GBA stond ingeschreven op een adres in Nederland en dat hij sinds 10 mei 2012 in de GBA stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] in Plovdiv (Bulgarije), terwijl uit de stukken van het geding niet blijkt dat van hem een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. De onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte in Nederland kon worden aangenomen, aangezien eerst tevergeefs is getracht de aanzegging uit te reiken aan het in de cassatie-akte vermelde adres van de verdachte. Bovendien is op 21 mei 2015 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. art. 588, tweede lid, Sv rechtsgeldig betekend.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG