Strafrecht overig
Geen middelen ingediend. Verdachte n.-o. ex art. 437 lid 2 Sv. Samenhang met 15/02677.
ECLI:NL:PHR:2016:281 · Parket bij de Hoge Raad · 23 februari 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/parket-bij-de-hoge-raad/strafrecht/strafrecht-overig/ecli-nl-phr-2016-281
Zaakgegevens
Op 23 februari 2016 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Parket bij de Hoge RaadParket bij de Hoge RaadHet onafhankelijke parket van de procureur-generaal en de advocaten-generaal, die de Hoge Raad adviseren in conclusies.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 februari 2016
- Datum publicatie
- 20 april 2016
- Zaaknummer
- 15/02678
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2016:281
Samenvatting
Geen middelen ingediend. Verdachte n.-o. ex art. 437 lid 2 Sv. Samenhang met 15/02677.
Procesgang
Uitspraak · 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:1644Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 23 februari 2016deze uitspraak
ECLI:NL:PHR:2016:281
Hoge Raad · 19 april 2016
ECLI:NL:HR:2016:693Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg · Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg
Conclusie
|
Nr. 15/02678 P Zitting: 23 februari 2016 |
Mr. T.N.B.M. Spronken Conclusie inzake: [betrokkene] |
-
Bij arrest van 22 mei 2015 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, het bedrag van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 24.400,- en de verplichting voor betrokkene tot betaling aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op nihil.
-
Deze zaak hangt samen met de onder nr. 15/02677 bij de Hoge Raad aanhangige zaak, waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.
-
Namens de betrokkene is op 27 mei 2015 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 29 juli 2015 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
-
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG