Strafrecht overig

OM-cassatie. Beklag, beslag. Artt. 94a en 552a Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit…

Parket bij de Hoge Raad, 24 mei 2016

Zaakgegevens

Op 24 mei 2016 heeft het Parket bij de Hoge Raad een conclusie genomen in een zaak over strafrecht.

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24 mei 2016
Datum publicatie
6 juli 2016
Zaaknummer
14/03152
ECLI
ECLI:NL:PHR:2016:591
E-mail

Samenvatting

OM-cassatie. Beklag, beslag. Artt. 94a en 552a Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t art. 94a Sv en een ex art. 552a Sv door een derde ingediend klaagschrift. Niet blijkt dat de Rb de juiste maatstaf heeft aangelegd.

Procesgang

  1. Conclusie A-G · 24 mei 2016deze uitspraak

    ECLI:NL:PHR:2016:591

  2. Hoge Raad · 5 juli 2016

    ECLI:NL:HR:2016:1401

    Conclusie gevolgd

Conclusie

Nr. 14/03152 B

Zitting: 24 mei 2016

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:

[klaagster]

  1. De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 10 september 2013 het klaagschrift van de klaagster betreffende een onder haar vader inbeslaggenomen auto gegrond verklaard.

  2. Het beroep is ingesteld door officier van justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De raadsman van de klaagster, mr. J.S. Nan, advocaat te ’s-Gravenhage, heeft het beroep tegengesproken.

  3. Het middel

3.1. Het middel klaagt dat de rechtbank het klaagschrift van de klaagster met toepassing van een onjuiste maatstaf, althans ontoereikend gemotiveerd, gegrond heeft verklaard.

3.2. De bestreden beschikking houdt het volgende in:

“Procedure

De rechtbank heeft, naast het klaagschrift, gezien: een fotokopie van een proces-verbaal conservatoir beslag onder de verdachte met nummer PL 17R3-177/2009, documentcode 1010151245.IBN, onderzoek bavaro, in de strafzaak tegen de vader van klaagster genaamd [betrokkene] als verdachte, uit welk proces-verbaal onder meer blijkt dat op 12 oktober 2010 te Rotterdam door de politie Rotterdam-Rijnmond onder [betrokkene] voornoemd (onder meer) in beslag werd genomen:

1 Beatle, gekentekend [AA-00-BB].

(het inbeslaggenomene).

(…)

Inhoud van de klacht

Klaagster beklaagt zich over (het voortduren van) de inbeslagneming en (daarmee kennelijk tevens) over het uitblijven van een last tot teruggave van het inbeslaggenomene aan klaagster.

(…)

Beoordeling van de klacht

Klaagster legt aan haar klacht ten grondslag dat de onder haar vader in beslag genomen auto aan haar in eigendom toebehoort. Zo zij ter zitting heeft aangevoerd heeft zij bedoelde auto in Duitsland heeft gekocht voor 10.000,- euro met de bedoeling om in deze auto te gaan rijden. Haar vader onder wie de auto in beslag is genomen heeft de auto voorzien van groene kentekenplaten naar Nederland gereden. Klaagster had toen de leeftijd van 17 jaren. Inmiddels beschikt zij over een rijbewijs waarmee zij is gerechtigd een auto te besturen. Gelet op het onderzoek in openbare raadkamer is de rechtbank van oordeel dat klaagster als belanghebbende, onder wie het inbeslaggenomene niet in beslag is genomen, op het eerste gezicht een beter recht op het inbeslaggenomene kan doen gelden dan degene onder wie het inbeslaggenomene in beslag is genomen.

Teruggave van het inbeslaggenomene aan klaagster is daarom op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord. De rechtbank zal daarom de teruggave van het inbeslaggenomene aan klaagster gelasten.”

3.3. Het klaagschrift van de klaagster strekt gezien het voorgaande tot opheffing van een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag op een auto die onder haar vader, de verdachte, in beslag is genomen en tot teruggave daarvan aan haar, op de grond dat zij de eigenaar is van die auto.

3.4. De maatstaf voor de beoordeling van het klaagschrift van de klaagster is daarom: of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klaagster als eigenaar van de auto moet worden aangemerkt. Indien de klaagster door de rechtbank als eigenaar wordt aangemerkt, dan zal de rechtbank tevens moeten onderzoeken en ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of zich de situatie van art. 94a, lid 3 of 4, Sv voordoet. De rechtbank heeft met haar oordeel dat klaagsters klaagschrift gegrond moet worden verklaard, op de grond dat zij “op het eerste gezicht een beter recht op het inbeslaggenomene kan doen gelden”, die aan te leggen maatstaf miskend.

3.5. Het middel slaagt.

4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.15.